Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

balkenbrij - (vleesgerecht, vooral gegeten gedurende de slachttijd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

balkenbrij zn. ‘vleesgerecht, vooral gegeten gedurende de slachttijd’
Nnl. balkenbrij ‘zeker vleesgerecht’ [1898; Dale].
Gevormd uit balken en → brij ‘pap’. Het eerste woorddeel is wrsch. niet het zn. balk ‘stuk hout’, maar gezien de ingrediënten (meel, stukjes vet, bloed, slachtafval en vleesnat) eerder een volksetymologische vervorming van of afleiding uit → balg ‘buik’, misschien via het verkleinwoord balgekijn. In het Middelnederlands bestond naast gebulchte ‘darmen, pens’ wrsch. ook *gebalchte gezien de vorm West-Vlaams gebalgte (Bo 343). Men zag een verband met balk, omdat het gerecht in een doek geknoopt aan een balk werd opgehangen.
Lit.: M. Philippa (1993) ‘Balkenbrij’, in: OT 63, 26

EWN: balkenbrij zn. 'vleesgerecht, vooral gegeten gedurende de slachttijd' (1898)
ANTEDATERING: balkenbrij [1841; AHB 24/12]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

balkenbrij* [spijs] {1898} gelet op middelnederlands gebalchte [darmen, pens], balch, ballich (verkleiningsvorm balgekijn) [buik, ingewanden uit de slacht] heeft volksetymologie een rol gespeeld en is de oorspr. vorm ‘balgenbrij’. Vgl. balg en brij.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

balkenbrij znw. Zoo genoemd, omdat deze spijs, in een doek geknoopt, aan de balken wordt opgehangen. Zie hangop.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

balkenbrij ‘gerecht gemaakt van slachtafval van varkens’ -> Amerikaans-Engels dialect balkenbry ‘gerecht gemaakt van slachtafval van varkens’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels balkenbry, ook balken brie, balkenbrij, gerecht van varkensvlees (DARE).
- Van Nederlands balkenbrij ‘bepaald vleesgerecht’; overgenomen in de negentiende of twintigste eeuw en regionaal nog altijd in gebruik. Zie ook bry.
* Het gaat hier om een typisch Nederlands gerecht, oorspronkelijk afkomstig uit de provincie Gelderland en bereid in de slachttijd uit vlees van een varkenskop en ander vleesafval, bloed en vet, gekookt met boekweitmeel, krenten en rozijnen. Vroeger werd het gerecht in een doek aan de balken opgehangen om op smaak te komen. Het woord wordt door Nederlanders tegenwoordig beschouwd als een samenstelling van balk ‘stuk hout’ en brij ‘pap, moes’; het eerste gedeelte is echter volksetymologisch veranderd; oorspronkelijk was het balch ‘darmen, pens’. In het algemene Nederlands is de naam pas sinds de negentiende eeuw bekend. Hij is door negentiende- of twintigste-eeuwse immigranten meegenomen naar de VS, waar het volgens DARE nog bekend is in gebieden waar Nederlanders zijn gevestigd.
1940
Balkenbry. A loaf made of pork liver and lean pork, cooked, and later sliced and fried.
1945 In the much larger Dutch colony of Michigan there are many more such borrowings, e.g., ... balkenbry (a pork loaf). (Mencken, Suppl. I, 191)
1969 Balkenbry - mainly liver and pork; the mixture is cooked, stuffed into a cloth bag, spices added, then recooked; the slices are cut off and fried ... similar to liver sausage. (DARE)
2007 Michiganites eat balkenbry, erwten soup, and paczki. (The American Midwest, An interpretative encyclopedia. Indiana 2007, p. 290)

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

mieters [vervloekt, later ook: fijn, uitstekend] (1898). De vierde druk van het woordenboek van Van Dale verschijnt in 1898, onder redactie van H. Kuiper, A. Opprel en P. J. van Malssen. Zij zijn de eersten die in een woordenboek woorden opnemen als balkenbrij, behoefte (‘ontlasting’), besmuikt, bomvol, forens, fröbelen, mieters, plee, de bastaardvloek potver en reet (‘billen’).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

balkenbrij* spijs 1898 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal