Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

balg - (leren zak; geul in de Wadden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

balg zn. ‘leren zak’
Mnl. balge ‘buik’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], als toenaam balch [1288; CG I, 1287], met enen balge ‘met een balg, zak’ [1351; MNW-P].
Os. balg ‘zak, huid, blaasbalg’ (mnd. balch ‘zak, huid, schede’ > Noord-Duits Balg ‘vervelend, stout kind’); ohd. balg ‘zak, blaasbalg’ (mhd. balc; nhd. Balg ‘huid, blaasbalg, buik’); ofri. balg (bn.) ‘in de schede’ (nfri. bealch ‘lichaam, romp, buik (van een dier)’, balge ‘blaasbalg’ (en ook balch ‘getijgeul in de Waddenzee’)); oe. bælig, belig, bylig ‘zak, buidel, peul’ (me. beli ‘buik’, belewe ‘blaasbalg’; ne. belly ‘buik’, bellows ‘blaasbalg’); on. belgr ‘leren zak, buik, blaasbalg’ (nzw. bälg; nijsl. belgur); got. balgs ‘zak’; < pgm. *balgi- ‘zak’, van pgm. *belg- ‘zwellen’, zie ook → belgen en → bolster.
Verwant met: Sanskrit barhíē ‘offerstro’; Avestisch barəziš ‘peul, kussen’ (Nieuwperzisch bāliš ‘kussen’); Oudpruisisch balsinis ‘kussen’; Russisch bóloze' ‘peul, likdoorn’; Sloveens blazína ‘kussen, matras’; Gallisch (gelatiniseerd) bulga ‘leren zak’ (zie ook → budget); Oudiers bolg ‘leren zak’ (Iers bolg ‘zak, buik, buidel’; Welsh bol, boly ‘buik, zak’; Bretons bolc'h ‘peul van vlas’); bij pie. *bhelǵh- ‘zwellen’, een afleiding van pie. *bhel- ‘opblazen, opzwellen’, zie → bal 1 en → bol 1.
Kluge noemt de wortel pgm. *balgi ‘zak’ een “lautlich nicht sicher faßbares Wanderwort”, een wat de klank betreft niet te plaatsen zwerfwoord, dat oorspr. niets te maken heeft met pgm. *belg- (en dus ook niet bij pie. *bhelǵh- hoort). Men heeft ook gedacht aan verbinding met Grieks molgós ‘leren zak’, en verder met ohd. malahha; on. malr ‘id.’, van *molkos. Dan zou het om een niet-Indo-Europees substraatwoord gaan.
Balg is wrsch. ook het eerste lid in de samenstelling → balkenbrij.
Lit.: M. Philippa (1993) ‘Heeft een zebra een buik?’, in: OT 62b, 236

EWN: balg zn. 'leren zak' (1287)
ANTEDATERING: onl. balg 'balg, het blazen' in: tuba ... flatibus (balgun) inclyta 'trompet, door het blazen ("balgen") beroemd' [951-1000; ONW]
Later: balgen ofte blasen 'leren zakken of blazen' [1300-25; MNW-R] (EWN: 1351)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

balg znw. m., nu alleen in blaasbalg, mnl. balch ‘zak, blaasbalg, vel, buik, lijf’, ofrank. os. ohd. balg, oe. belg, bylg ‘zak, peul’ (ne. belly ‘buik’, bellows ‘blaasbalg’), on. belgr. — oi. barhi- ‘offerstro’, av. barǝziš ‘peul, kussen’, gall. bulga ‘leren zak’, miers bolg ‘zak’. — Zie: belgen en bolster.

De wt. *bhelgh is een afleiding van *bhel waarvoor zie: bal 1. — In plaatsnamen als De Dove Balg voor zandplaten heeft het woord nog de betekenis van ‘iets dat (uit de zee) opzwelt, omhoogwelft’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

balg znw., behalve in blaasbalg nog slechts vulgair en dialectisch, mnl. balch (gh) m. “zak, blaasbalg, omhulsel, vel, buik, lijf”. = ohd. balg m. “korenhuls, vel, blaasbalg” (nhd. balg), os. balg m. “zak, blaasbalg”, (ofri. balg bnw. “vaginatus”), ags. belg, bylg m. “zak, blaasbalg” (eng. belly “buik”, bellows mv. “blaasbalg”), on. belgr m. “afgestroopt vel, zak, blaasbalg”, got. balgs m. “zak”, germ. *ƀalʒi- m. Van de germ. basis ƀelʒ-, ƀalʒ-, ƀulʒ- “zwellen”, waarvan ook ndl. belgen, mnl. belghen intrans. en reflexief “boos worden”, onfr. bëlgan, -on “id.”, ohd. bëlgan gew. met sih “zwellen”, gew. “boos worden”, os. bëlgan refl. “boos worden”, ofri. bëlga (alleen het verl. deelw.), ags. bëlgan intrans. en refl. “id.”. Voor den bet. overgang “zwellen” > “boos worden” bestaan veel analogieën, o.a. ndl. zich dik maken. Belgen was nog in het Mnl. sterk; nu is van die flexie het deelwoord verbolgen nog over. Het On. kent alleen dezen vorm, bolginn, met de bet. “gezwollen”. Met schwundstufe: mnl. bolghe, ohd. os. bulga v. “leeren zak” (dat echter ook van kelt.-rom. oorsprong kan zijn, evenals ook eng. bulge “buik van “een vat”), mnl. bulghe m. “gezwel”, on. bylgja v., mnd. bulge v. “golf”. (NB. vgl. oudnnl. bolk “golf, zak” met opvallende k). Van de idg. basis bhelĝh- “zwellen” komen verder gall. bulga “sacculus scorteus”, ier. bolg “zak”, russ. bólozeń “eelt, buil, likdoorn”, serv. blàzin(j)a “peluw, kussen, veeren bed”, oi. barhíṣ- “(offer)stroo”, av. barəziš- “peluw, kussen”. De basis bhelĝh- is van bhel- afgeleid. Zie bal 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

balgen 1, bulgen zn. mv.: ingewanden van dieren. Mv. van Mnl. balch, ballich ‘buik van geslachte dieren, ingewanden, romp, lijf, leren zak’. Os., Ohd. balg, D. Balg, Oe. belg, E. belly ‘buik’, On. belgr ‘zak’, Got. balgs. Vgl. Gall. bulga, Iers bolg ‘zak’. Uit Idg. *bhelgh- ‘doen zwellen’ < *bhel- ‘opblazen, opzwellen’. Vgl. Mnl. belgen ‘opzwellen, boos worden’, E. bulge ‘zwellen, opbollen’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

balg, bolg buik (van een dier, van een ton) (West-Vlaanderen). = tweede deel van blaasbalg, = hgd. balg ‘blaasbalg, buik’ = eng. bellow ‘buik’ = ono. belgr ‘zak’. ~ Iers bolg ‘zak’. ~ av. barëziš ‘peul, kussen’. ~ verbolgen. Van een basis die ook in bal en gr. phallós ‘mannelijk lid’ aanwezig is en ‘zwellen’ betekent.
De Bo 68, WVD II afl. IV 22.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

balg. In Vlaanderen komt de verwensing voor hef uw balg weg! Met de betekenis ‘maag’ heeft de verwensing niet zoveel meer te maken. De gesprekspartner wordt door de verwenser uit boosheid, irritatie enz. aangespoord om iets onmogelijks te doen. De betekenis laat zich raden: ‘ik heb een vreselijke hekel aan je, verdwijn uit mijn gezichtsveld’. Hoogfrequent is de verwensing niet. Uit een enquête in 1999 onder 111 Vlamingen bleek dat ze slechts aan 7 zegslieden bekend was.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

balg ‘afgestroopte huid; leren zak’ -> Engels blague ‘bluf, boerenbedrog’ <via Frans>; Noors balg ‘zwaardschede’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans blague ‘tabakszakje; (fig.) opgeblazen zaak, grap, stommiteit’; Italiaans blagueur ‘opschepper’ <via Frans>; Esperanto blagi ‘voor de gek houden’ <via Frans>.

balg ‘geul tussen zandgronden in laag water’ -> Deens balg(e) ‘geul tussen zandgronden in laag water’ (uit Nederlands of Fries).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

balg* afgestroopte huid, leren zak 1288 [Toll.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bel-1 ‘ausschneiden, graben, höhlen’??

Vielleicht arm. pelem ‘höhle, grabe’, allenfalls auch mir. belach ‘Kluft, Paß, Weg’ und kelt. *bolko-, -ā in cymr. bwlch m. ‘Spalte’, bret. boulc’h ds., mir. bolg f. (das g nach tolg ds.)?

WP. II 110; über nicht existierendes ai. bāra ‘Öffnung’ s. Wackernagel u. Debrunner KZ. 67, 171 f.

bhelg̑h- ‘schwellen; Balg (aufgeblasene Tierhaut), Kissen, Polster’, (Erw. von bhel- ‘aufblasen’ usw.)

Ai. barhíš- n. ‘Streu, Opferstreu’ = av. barǝziš- n. ‘Polster, Kissen’, npers. bāliš ‘Kissen’; ai. upa-bárhaṇa-m, upa-bárhaṇī f. ‘Decke, Polster’;
Ob mit Asp.-Diss. gegen das Formans -ha- hierher ai. bárjaha-ḥ ‘Euter’?
ir. bolgaim ‘schwelle’, bolg f. ‘Blase’, bolg m. ‘Sack, Bauch, Hülse, Hose’, mir. bolgach f. ‘Beule, Blase, Blatter; Pocken’, bolgamm ‘Schluck’, cymr. bol, bola, boly ‘Bauch, Sack’, bul ‘Samenhülse’ (PL. von boly), bret. bolc’h ‘cosse de lin’, vann. pehl-en (aus *pehl-) ds., gall. bulga ‘Ledersack’ (daraus ahd. bulga ‘lederner Wasserbehälter’); gall. Belgae ‘die Zornigen’;
got. balgs m. ‘Schlauch’, aisl. belgr m. ‘abgestreifte Tierhaut, Balg, Bauch’, ahd. mhd. balg ‘Balg, Schlauch, Blasebalg, Schwertscheide’, ags. bielg, byl(i)g ‘Balg, Beutel’, engl. belly ‘Bauch’, bellows ‘Blasebalg’ (germ. *ƀalʒi- m., vgl. аpr. balsinis; vielleicht hat auch ai. barhiṣ-, av. barǝziš- idg. -i-s- als Erw. dieses i-St.);
aisl. Partiz. bolginn ‘geschwollen’, Kaus. belgja ‘aufschwellen machen’, as. ags. belgan St.-V. ‘zornig sein’, ahd. belgan ‘aufschwellen’, refl. ‘zürnen’, afries. Partiz. ovirbulgen ‘erzürnt’;
aisl. bylgja ‘Woge’, mnd. bulge ds.; *bul(h)stra- in aisl. bolstr m. ‘Kissen’, ags. bolster n. ‘Polster, Kissen’, ahd. bolstar ds., ndl. bolster ‘Fruchtbalg, Hülse’;
apr. balsinis ‘Kissen’ (*bholg̑hi-nos), pobalso ‘Pfühl’, lett. pabàlsts m. ‘Kopfkissen’ (und ‘Stütze’, s. oben S. 123); slov. blazína ‘Kissen, Matratze, Bettpfühl; Fuß- oder Handballen’ (und ‘Dachbalken, Querbaum des Schlittens, Rungstock’, s. oben S. 123), skr. blàzina ‘Kopfkissen, Polster, Federbett’; russ. bólozenь m. ‘Schwiele, Beule, Leichdorn, Hühnerauge’ (aber russ. dial. bólozno ‘dickes Brett’). Hierher wohl als ven.-ill. Lw. apr. balgnan n., alit. balgnas, lit. bal̃nas ‘Sattel’ (wohl aus ‘Kissen’). Weitere baltoslav. Formen s. oben S. 123.

WP. II 182 f., WH. I 122. Vgl. über gr. μολγός ‘Ledersack’ Vendryes BSL. 41, 134 f.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal