Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bal - (zn. bol)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bal 1 zn. ‘bolrond voorwerp’
Mnl. bal ‘speelbal’ [1240; Bern.].
Os. ball; ohd. bal (nhd. Ball), ballo (nhd. Ballen ‘baal’); nfri. bal; oe. bal (ne. ball); on. böllr ‘kogel’; < pgm. *balla-, *ballu-, met -ll- geassimileerd uit -ln-. Verder oe. bealloc ‘teelbal’ (ne. bollocks (mv.) ‘testikels; onzin’).
Indo-Europees verwant met: Latijn follis ‘leren zak’; Grieks phallós ‘penis’ (zie → fallus); Oudiers ball ‘id.’; bij de wortel pie. *bhol-, ablautend bij *bhel- ‘zwellen, opblazen’ (IEW 120), met als uitbreidende afleidingen daarbij *bhleh3- ‘bloeien’ (zie → bloeien) en *bhelǵh- ‘zwellen’ (zie → balg, → belgen). Daarnaast zijn er enkele wortels die veel gelijkenis vertonen, zoals *bhleh1- ‘blazen’ (zie → blazen, → blaar 1) en *bhel- ‘klinken, brullen, blaffen’ (zie → bel 1). Al de erbij behorende woorden kunnen en zullen elkaar voortdurend beïnvloed hebben: het opblazen veroorzaakt zwelling, en dan krijg je een bal, een belletje en een blaasje. Zwellende knoppen gaan bloeien. Dan is er nog het punt of de klanknabootsing een rol speelt: zo kan men bl opvatten als het geluid dat ontstaat bij kokende vloeistof en het opborrelen van belletjes in de modder, maar dat anderzijds ook voorkomt bij loeiende dieren (zie → balken), en met een klinker erachter van blaffende (zie → blaffen) en blatende (zie → blaten) dieren. De blazende wind loeit eveneens. Wanneer klanknabootsingen klankwettige veranderingen ondergaan en niet meer als klanknabootsingen te herkennen zijn, kunnen er weer nieuwe ‘expressieve’ vormen optreden, die iets ronds en zwellends aanduiden. Dit zou het geval kunnen zijn bij Grieks bolbós ‘(bloem)bol, ui’, Litouws būlbé ‘aardappel’, Armeens bołk ‘radijs’, Sanskrit buliḥ ‘vrouwelijk schaamdeel’ en Latijn bulla ‘luchtblaas, waterbel, bobbel’. Uit laatstgenoemde woord zijn diverse Nederlandse woorden voortgekomen, zoals → bul 2. Dit alles is uiterst speculatief. Bij de meeste van de Germaanse vormen, maar eveneens bij de niet-Germaanse vormen die beginnen met een b-, wordt dan ook substraatherkomst overwogen, mede gezien het aardse en/of emotionele karakter ervan.
Verscheidene woorden zijn op de een of andere manier direct met bal verwant. Met umlaut is gevormd → bil. Ablautend (nultrap) met bal zijn → bol 1 (met daaruit via het Engels → bowl) en → bul 1 ‘stier’. Een jonge, alleen Nederlandse variant is → bel 2 ‘luchtblaasje’. De Romaanse talen hebben het Germaanse *balla- overgenomen en zo voor een aantal nieuwe leenwoorden in het Nederlands gezorgd; zie daarvoor de afzonderlijke woorden → baal, → ballon, → ballotage. Niet verwant, maar analoog gevormd (zie boven) is → bul 2 ‘oorkonde’, met daarbij → bulletin, → bouillon, → boiler, → bowlen. Ten slotte zijn er nog de woorden waarin een oud achtervoegsel is toegevoegd, bijv.bult en ablautend → belt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bal1* [zn. bol] {1201-1250} oudhoogduits bal, oudsaksisch bal(l), oudnoors bǫllr; buiten het germ. latijn follis [leren zak, bal], grieks phallos [penis], oudiers ball [man, lid], van een i.-e. stam met de betekenis ‘zwellen’, vgl. ook balg. In ik weet er geen bal van betekent bal ‘testikel’, reeds middelnederlands niet een bal [geen zier], vgl. er de kloten van wetenballetje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bal 1 znw. m. ‘rond voorwerp’, mnl. bal, os. ball, ohd. bal en ballo, balla, on. bǫllr; vgl. nog oe. bealloc (ne. balloc) ‘teelbal’. — Zie verder nog: bil en bol.

De idg. wt. is *bhel-, bhlē- ‘opblazen, opzwellen’, vgl. lat. follis ‘leren zak, blaasbalg, buidel’, gr. phallós ‘penis’. Van deze wt. zijn in het germ. verschillende afleidingen:
met dentaal vgl. boud en blaar
met gutturaal vgl. balg
met s vgl. blazen.
Voor de wt. *bhlē zie verder: bloeien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bal I (rond voorwerp), mnl. bal (ll) m. = ohd. bal (nhd. ball) m., waarnaast ballo m. (nhd. ballen), balla v.; os. ball, on. bo̜llr m. “bal, rond voorwerp”; vgl. ook ags. bealloc m. “testiculus” (eng. ballock). Het on. woord is een u-stam, het os. en ohd een i-stam, ook het ndl., zooals nog blijkt uit bil, mnl. bille, naast ouder e(e)rsbille v., ospr. een m. meervoudvorm = ohd. os. (ars)belli “billen”; vgl. aars. Reeds mnl. was hierbij een nieuw mv. op -en gevormd. De i uit e komt in meer diall. voor dan bij schil; ook mnd. (ars)bille. Reeds mnl. is de vorm e(e)rsbelle zeldzaam. Het is niet noodig, voor dezen ndl.-nd. i-vorm van een ablautend *ƀelliôn- uit te gaan en zw. fotabjälle “plat van den voet” met ospr. e te vergelijken. Voor ablautende germ. vormen zie bij bol I en bul I. Germ. ƀall-, ƀull-, ƀoll- behooren bij de idg. basis bhel-, bhol-, bhel- (bhḷ) “zwellen”: ll kan deels uit l + n, deels uit l + l ontstaan zijn, vgl. ier. ball “lid”, lat. follis “leeren zak, ballon, blaasbalg”, gr. phállēs (ook phalēs) “penis” (voor de bet. vgl. hess. bille “id.”), pâli bhânaka- ”kruik”, oi. bhâṇḍa- “pot, schotel, kastje” (ook anders verklaard). Over dezen wortel bhel-, bhelê- vgl. ook balg, bolster, blaar I, bloeien. Uit het Germ. komen fr. balle, it. balla “bal, kogel, baal”. Zie baal. Uit het Fr. eng. ball “bal, kogel”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bal I (rond voorwerp). In pl. v. gr. phállēs (ook phálēs) ‘penis’ lees: gr. phallós (ook phálēs) ‘penis’. Voor de bet. vgl. ook ndl. billetje ‘penis’ (mededeling Kern).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bal 1 m. (bol), Mnl. bal, Os. bal(l) + Ohd. bal (Mhd. id., Nhd. ball), On. bǫlrr (Zw. boll, ball, De. ball, balle); daarnevens ook Ohd. balla, ballo (Nhd. ballen) + Skr. bhāṇḍam = pot, Gr. phállos = penis, Lat. follis = leeren zak, Oier. ball = lid, Lit. bulìs = bil: Idg. wrt. bhel = zwellen (z. balg, blaar, blazen). De Germ. vormen met ll gaan terug op *baln-, die met één l (z. baal) op *balan-. Uit Germ. Fr. balle (waaruit Eng. ball), It. balla, Sp. bala.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bal (zn.) bolrond voorwerp, speelbal; Vreugmiddelnederlands bal <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. bal: naar bal gaan (ging, is gegaan), (gebr. in Nickerie) naar een voetbalwedstrijd gaan kijken.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bal I: “ronde voorw.”; Ndl. bal (Mnl. bal(l), by Kil bal), Hd. ball, Eng. ball, hou verb. m. bil (v. biltong) en verderop m. Gr. phallos/phalês, “penis”.

bal II: “dansparty”; Ndl. bal (nog nie by Kil nie), soos Eng. en Hd. ball uit Fr. bal wat verb. hou met ww. baller, “dans” (Ll. ballare, waarmee ook ballade en ballet verb. hou).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bal(letje): (vnl. studententaal) bekakt, conservatief persoon; onaangenaam iemand. Meestal in combinatie met ‘rechts’ of ‘arrogant’. Aanvankelijk ook in positieve zin. In het Leidse corps gebruikt men de aanduiding huisbal voor iemand die al lang op een (flat)verdieping woont en langzamerhand een beetje buiten de belevingswereld van de gemiddelde verdiepingsbewoner is geraakt. Ballentroep is dan weer een minachtende benaming voor een studentencorps. Zie ook hockeybal*.

Feut! of wat zeggen die ballen ook alweer Ruud? (Arie B. Hiddema, Kassa, 1971)
Is Adam Curry een arrogante bal? (Vinyl, juli/augustus 1987)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bal. In vooral het zuiden van het taalgebied komt de elliptische verwensing mijn ballen! voor. Daarnaast verschijnt de volledige vorm lik mijn ballen! Eenmaal noteerde ik ja, mijn ballen Gerard! Al deze varianten wijzen op minachting, onmacht, ergernis enz. en betekenen ‘bekijk het maar, je kunt me wat, ik wil niet meer met je te maken hebben’. → Gerard, likken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bal ‘rond voorwerp’ -> Deens balde, balle ‘bil; zacht, rond of gewelfd voorwerp; dotje doeken om mee te poetsen; baal gebruikt als verpakking’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ball ‘rond voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans balle ‘baal’ Frankisch; Baskisch bala ‘(geweer)kogel’ <via Frans>;? Bretons boull ‘ballen’ <via Frans>; Maltees balla ‘baal’ <via Frans>; Indonesisch bal ‘rond voorwerp’;? Ambons-Maleis balé ‘rond voorwerp; een rond voorwerp maken’; Balinees bal ‘rond voorwerp’; Gimán bal ‘rond voorwerp’; Jakartaans-Maleis bal ‘klein rubber balletje bij het bikkelspel’; Javaans bal ‘rond voorwerp; sein (langs spoorweg); elektrische gloeilamp, peer’; Javaans dialect baleces ‘(teel)ballen’; Madoerees ēbbal ‘rond voorwerp’; Menadonees bal ‘rond voorwerp’; Minangkabaus ban ‘rond voorwerp; ballon’; Singalees bola(ya) ‘rond voorwerp’ (uit Nederlands of Portugees); Papiaments bala ‘rond voorwerp; kogel’; Papiaments balchi (di karni), balchi (di piská) ‘gehaktbal, visbal’; Sranantongo bal ‘rond voorwerp; testikel’; Saramakkaans balí ‘rond voorwerp’; Sarnami bál ‘rond voorwerp’; Surinaams-Javaans bal ‘voetbal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bal* rond voorwerp 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bal, verkorting van corpsbal ‘lid van een studentencorps’. Sinds eind jaren zeventig.

Volgens de eigenaar komen hier sportieve, trendy mensen, volgens de jongeren uit Den Helder ook patsers en ballen. (Nieuwe Revu, 23/06/98)
de — bij iemand (anders) leggen, de beslissing aan iemand anders overlaten.
De staatssecretaris moet de moed hebben om zelf te beslissen. Nu legt ze de bal bij de Kamer. (Trouw, 18/07/97)
de — ligt bij hem (← Eng. the ball is on his court), hij moet nu een beslissing nemen; het is nu aan hem.
Nu Bouterse zich eindelijk heeft verzekerd van juridische bijstand, ligt de bal weer bij justitie. (Elsevier, 06/09/97)

ballen hebben, slanguitdrukking voor ‘vitaliteit, kracht, energie hebben’. Niet alleen m.b.t. personen, maar ook tot zaken (films, platen enz.). Vgl. Engels slang to have balls. → kloten hebben.

Engelse slowfunk zonder ballen. (Oor, 21/05/83)
En om misverstanden te voorkomen: de muziek heeft dus wel degelijk ballen. (Vinyl, 12/12/85)
De film heeft wel iets van Stallones ‘Rocky’, maar dan met ballen. (Humo, 20/06/85)
Opdat haar act in de toekomst van slijtage gevrijwaard zou blijven is meer slagkracht welkom. Simpel gesteld: meer ballen graag. (De Morgen, 09/09/85)
De muziek van de Hip heeft meer ballen, leunt tegen de hardrock, bevat elementen uit de gitaar- en country-rock en klinkt nagenoeg altijd uiterst bezield. (Oor, 17/10/92)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

145. Geen bal of de ballen.

In de studententaal wordt geen bal of de ballenVoor het wegvallen der negatie vgl. fr. elle est point lasse; pas d'argent, pas de Suisse; het mnl. twint en bore. gebruikt voor niets. Zoo zegt men: hij weet er geen bal (of de ballen) van; hij antwoordde geen bal; daar deugt geen bal van, enz. In de middeleeuwen werd bal reeds in dezen zin gebruikt ‘voor eene nietigheid, die men wegschopt’, bijv. in de Disp. 166: Niet een bal ne doech hem (helpt hun) haer berouwen. Voor de 17de eeuw vergelijke men Kluchtspel II, 69: 'k Gever niet om een ouwen bal; Van Moerk. 195: Wat een ouwe bal, wat een dwaasheid. Zie verder De Jager's Latere Versch. 110; Joos, 97; Molema, 499 b: 't mog 'n ol bal, er is niets van aan, en vgl. de Vlaamsche uitdrukking: die jongen deugt geen ket (knikker; Schuermans, 236); Gron. 75: Ik heb nooit 'n bal voor 'm uitgevoerd. - Ja, hihihi, ik snap 'r zelf de ballen (niets) van; St. L. 56: Als je 'm zoo hoorde snoeven, dat-ie de ballen ooit dee; Nkr. IX, 20 Febr. p. 4: Men wijt het aan allerlei dingen en snapt er de ballen niet van; Speenhoff I, 31:

 Hij was een man van niemendal,
 Om eer en plicht gaf hij geen bal.

Naast ballen wordt ook gezegd ‘de ballen van den bok’ of ‘de ballen van den commandant’, waaruit blijkt, dat in deze uitdrukking ballen als testiculi wordt opgevat, waarvoor ook pleit ‘er de klooten van weten’ (Kmz. 186) naast ‘er de ballen van weten’ of ‘snappen’, en het Antwerpsche: er de konten van kennen (Antw. Idiot. 692) naast er de knoppen van weten (Antw. Idiot. 2240). Zie Kmz. 186; 363: Van zoo'n partijtrekken snap ik de kloote; bl. 178: Als ik nou weer college ging loopen, zou 'k 'r de balle an hebbe.

146. Den bal misslaan.

Aan het kaatsen, kolven of klossen ontleend (zie Ter Gouw, De Volksvermaken, 335), en vandaar in fig. zin missen, bezijden de waarheid zijn, niet het goede inzicht hebben; synoniem van de plank misslaan. De uitdrukking komt sedert de 17de eeuw voor (zie het Ndl. Wdb. II, 901 en vgl. Gew. Weuw. I, 55) en staat eveneens opgeteekend bij Tuinman I, 267: ‘Hy slaat den bal mis, dat is, hij treft de zaak niet: gelijk onbedreven kolvers die den bal niet raken’; V. Janus II, 24. Ook in Zuid-Nederland is zij bekend (zie Joos, 95), waar men ook zegt de kaatse falen, zijn oogwit missen (Schuermans, 213), en natuurlijk in het Friesch: de bal misslaen.

Het tegengestelde luidde: den bal wèl hebben, dat men vindt bij Sartorius IV, 67, die ‘rectam instas viam’ vertaalt door ghy hebt die bal wel, dat te vergelijken is met V. Janus III, 147: den bal juist treffen.

147. Die kaatst moet den bal verwachten,

een zegswijze aan het kaatsen ontleend, met de beteekenis, ‘wie yemand wil aantasten, heeft te wachten, dat men hem zo weder bejegenen, en met gelyke munt betalen zal’; Tuinman I, 266. Vgl. verder Winschooten, 273; Huygens II, 411: Kaetsen en ballen wachten (opschrift); Halma, 251: Die kaatst moet den bal wachten: die met een ander schertst, of een ander scheld wagt het selve; Ndl. Wdb. VII, 772. Ook in het Friesch: dy 't keatse wol, moat de ballen wachtsje; dy 't de bal utsmyt, moat ôfwachtsje ho 't er him werom kriget; en vandaar ook de zegswijze dou moast him de ballen mar goed werom slaen (gij moet hem de ballen maar flink terugslaan, zijne scherpe uitvallen, vragen of plagerijen met dezelfde munt betalen; zie W. Dijkstra, 288; vgl. fr. renvoyer la balle, een slagvaardig antwoord geven.Vgl. Halma, 334: Repousser ou renvoyer l'éteuf, den bal wederom kaatzen, spijtig bejegenen, met dezelfde munt betalen. Te vergelijken hiermede is Campen, 126: wie vechten wil, die moet den streeck verwachten (hd. der fechten will, der musz der Streiche warten); Spieghel, 280: die zeit dat hy wil, moet horen het wederspil; Bebel no. 231: qui velit ludere, debet apponere nummos; Campen, 17: weel kegelen wil, die moet opsetten; eng. they who play at bowls must expect to meet with rubbers.

148. Elkander den bal toewerpen (of toekaatsen),

een sedert de 16de eeuw voorkomende uitdrukking met de bet. elkander helpen, in elkanders kaart spelen. Bij Servilius, 209 luidt zij: Si kaetsen malcanderen den bal toe; bij Sartorius III, 2, 77: Sy rollen malkander de bal toe, cursu lampada tradunt; I, 2, 82: Elckander de Bal toesollen, invicem lampada tradere (vgl. Mnl. Wdb. VII, 1508); en I, 8, 65: Sy geven malkander den Bal op, hoc est, mutuo sese laudant ac praedicant; Tijdschrift XXI, 108 (anno 1524): Sy sollen den bal tot malcander; Smetius, 154: Malcanderen den bal van andermans dack toecaetsen; Winschooten, 116; Pers. Ontst. Leeuw. 861 a; Sacspiegeltje, 202: Hoe swaarder parentages hoe grooter ballen over en weeder gekaatst werden; Idinau, 42:

 Die kaetsen den bal mal-kanderen toe,
 Die om eyghen profijt met d'officiën spelen.
 Die d'een - d'ander rijck maken, Godt weet hoe.
 T' secreet der konste, sy meest verhelen.
 Daer 't al blindt is, daer is 't licht om te stelen.

Zie nog Tuinman I, 265: Zy kaatzen malkanderen den bal toe ‘dit zegt men van die malkanderen over en weder voordeel toe brengen, en in de hand werken’. Bij de uit Sartorius opgegeven zegswijzen, waarin de wkw. rollen en sollen voorkomen, moet natuurlijk niet aan het kaatsen, doch aan het kolven gedacht worden. Dat ook in Friesland, het land der kaatsers, de uitdrukking bekend is, spreekt van zelf. Aldaar zegt men ook: hja keatse elkoar de ballen ta, door W. Dijkstra omschreven als ‘schijnbaar in tweestrijd werken ze elkaar in de hand’. In de literatuur heb ik de uitdr. aangetroffen in Com. Vet. 51; Pers, 861 a en bij Van Effen, Spectator VI, 38 en XI, 45. Vgl. ook het vroeger hd. ‘die sich mit einander vergleichen können, die schlagen einander den ballen zu’ (Borchardt no. 248; Wander I, 225); Antw. Idiot. 180: iemand den bal toegooien, hem bovenmate begunstigen; Teirl. 95: Iemand den bal toesmijten, iem. begunstigen.

153. Een balletje van iets opgooien,

een o.a. in de Gew. Weuw. III, 6 (een balletjen om hoog smijten om te lachen), bij Van Effen, Spectator IX, 214; V. Janus III, 281; Nkr. VIII, 12 Febr. p. 2; Het Volk, 19 Maart, 1914 p. 12, k. 2, voorkomende uitdr. in de bet. van ‘een eerste woord over iets zeggen, om daardoor een gesprek er over aan den gang te brengen’. Het Ndl. Wdb. II, 902 herinnert aan de vroegere gewoonte ‘dat drie of vier persoonen, zyn overeengekomen, om een Cabel uit te maaken; deezen eischen een bal; snyden 'er met een mes zo veel kerven, of bijhangende lappen in, als 'er uitdaagers zyn, en leggen deezen, dus gesneeden, by de baan, of steeken hem aan de eene of andere plaats aldaar vast’.Berkhey, N.H. v. Holl. III, 1400. Dit noemde men den bal opsteken. Iets dergelijks kan ook met een balletje opgooien bedoeld zijn. Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 100 denkt aan den ‘kietembal’, die door een jongen werd omhoog gegooid, om te zien of een ander hem zou opvangen (kiepen).

Te vergelijken is ook het door Plantijn en Kiliaen vermelde synonieme op-gheven den bal, dare pilam, adiicere pilam, pilam in tectum mittere, dat herinnert aan het Hagelandsche op het dak werpen, door Schuermans, 89, vermeld in den zin van: ‘te verstaan geven, een woordje in de samenspraak laten sluipen om zijn verlangen te voelen’; aan iets opwerpen, iets bedektelijk te verstaan geven (Tuerlinckx, 464), en het Westvl. iets opsmijten, opwerpen, melding maken van iets om het gesprek daarop te brengen (De Bo, 799 a).

1227. De kolf naar den bal werpen,

d.w.z. het opgeven, den moed verliezen; fr. jeter le manche après la cognée. Bij Sartorius III, 6, 54: de kolf na de bal werpen; 10, 9: ick hebbe de kolf na de bal geworpen; bij Winschooten, 116: ‘de Kolf werpen naa de Bal, is een spreekwoord, waar meede beteekend werd, sig soo wel ontblooten van het een als het ander, het spel gewonnen geeven.’ Zie nog Brederoo, Sp. Brab. vs. 159; Tuinman 1, 178; Harreb I, 29 en vgl. de bijl naar den steel werpen of den steel naar de bijl werpen (Halma); eng. to send the axe after the helve or to throw the helve after the hatchet; hd. der Axt den Stiel nachwerfen. Vgl. Joos, 102; Waasch Idiot. 186 b: de naald bij (of achter) den verloren draad smijten.

1838. De plank misslaan (miszijn of mishebben),

d.w.z. zich vergissen, het mishebben, niet het goede inzicht hebben; den bal misslaan. In de 18de eeuw treffen we deze uitdr. aan in het Boere-krakeel, 164: En daerom slaeje de Plank niet iens zoo mis. Verder komt zij voor bij Harreb. III, LIII; B.B. 387: Ze zegt dat dokter nu de plank heelemaal misslaat; Nkr. II, 25 Dec. p. 2: Ik geloof dat zij in dit opzicht den plank misslaat; Het Volk, 19 Sept. 1913, p. 2 k. 3; 7 Maart 1914, p. 7 k. 3; Nw. School II, 215: Zoo dat toch de slottirade den spijker heelemaal niet op den kop zou hebben getikt - eerder de heele plank misgeslagen zou hebben. Het is niet onmogelijk, dat deze uitdr. ontstaan is door de samensmelting van twee andere: den bal misslaan en de plank mis zijn (C. Wildsch. III, 273: Zoo je denkt dat ik gelukkig ben, dan ben je de plank geheel mis; V. Janus, 364; Nw. Taalgids VIII, 278), welke laatste uitdr. misschien aan het kegelspel ontleend is; zie Ten Doornk. Koolm. II, 724 b: dat was de plank mis (beim Kegelschieben, statt pudeln), maar ook W. Dijkstra, 382 b: hy is de planke mis, hij is de loopplank mis geloopen, hij is er naast gestapt; hij dwaalt, of schiet een bok, welke verklaring m.i. de waarschijnlijkste isVgl. Navorscher IV, 298; Ndl. Wdb. IX, 800.; vgl. Het Volk, 16 Maart 1914, p. 1 k. 2: Hier beletten zijn ervaringen als partijleider en Kamerlid hem niet de plank glad bezijden te loopen. Door de gedachte aan het mishebben ontstaat weder de plank mishebben, dat voorkomt in Slop, 98: Als je denkt daarmee vrij te komen, heb je de plank mis; Volksk. XXII, 82: Maar als je denkt, uilen, dat het voor mijn vermaaklijkheid is, dan hebje, verdoeme! de plank heel ver mis. Zie no. 146.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhel-3, bhlē- ‘aufblasen, aufschwellen, sprudeln, strotzen’

Ai. bhāṇḍa- n. ‘Topf, Gefäß’ (*bhāln-da?); nach Thieme (ZDMG. 92, 47 f.) hierher av. barǝ-s-man- ‘Bündel von Zweigen’, ai. bársva m. Pl. ‘Wulst, Zahnfleisch’ (Lw. aus av. *barsman ‘Polster’); vgl. unten ahd. bilorn.
Arm. bełun ‘fruchtbar’ (: gr. φάλης), bełn-awor ds. (: gr. φαλλός), Adontz, Mél. Boisacq 9.
Gr. φαλλός, φάλης ‘penis’ (φαλλός aus *bhl̥nós oder *bhelnós; vgl. air. ball, nhd. Bulle); dazu φάλλαινα (Bildung wie λύκαινα), φάλλη ‘Walfisch’ (vgl. das wohl durch illyr. Vermittlung entlehnte lat. ballaena; auch mhd. bullich bezeichnet große Fischarten; identisch ist φάλλαινα ‘Nachtfalter’, über ἀφελής und Zubehör s. oben Z. 1; über ὄφελος s. u. phel-; nach Persson Beitr. 299 ach φλόμος (φλόνος) ‘Königskerze, Pflanze mit dicken wolligen Blättern, als *bh(e)lo-mo-s?
Vermutlich phryg. βάμ-βαλον, βά-βαλον ‘αἰδοῖον’ Hes., auch βαλλιόν ‘penis’; thrak. VN Τρι-βαλλοί.
Lat. follis ‘lederner Schlauch; Windball, Ballon; Blasebalg, Geldbeutel’ (*bhl̥nis oder *bholnis, vgl. die germ. Worte mit -ll- aus -ln-);
cymr. bâl f. ‘Erhöhung, Berggipfel’ (*bhl̥ā);
schwundstuf. air. ball m. ‘Glied, Körperteil’, dann ‘Teil, Ort, Fleck’ (auch am Körper), daher vielleicht auch cymr. ball ‘Epidemie’; cymr. balleg ‘Sack, Börse’; ablautendes bol, boll in cymr. dyrn-fol ‘Handschuh’, arfolli ‘schwanger werden’, ffroen-foll ‘mit geblähten Nüstern’ (: φαλλός); reduktionsstuf. mit Formans -ko- und einer Bed. wie ahd. bald (s. u.): nir. bale ‘stark’, cymr. balch, bret. balc’h ‘stolz, anmaßend’.
bhl̥- (bhel-) in aschwed. bulin, bolin ‘aufgeschwollen’, bulde, bolde, byld ‘Anschwellung, Geschwür; aisl. bulr, bolr m. ‘Baumstamm, Rumpf’, mnd. mhd. bole f. ‘Planke’ (nhd. Bohle); aisl. boli ‘Stier’, ags. bula ds., bulluc ‘junger Stier’, engl. bull, mnd. nhd. Bulle (als *bull-ōn = gr. *φάλλων von einem St. *bulla- = φαλλό-ς); hess. bulle ‘vulva’; aisl. bolli m. ‘Trinkschale’ (‘*kugeliges Gefäß’; mir. ballán ‘Trinkgefäß’ wohl aus dem Nord.), ags. bolla m. ‘Schale’, hēafodbolla ‘Hirnschale’, afries. strotbolla ‘Kehlkopf’, as. bollo ‘Trinkschale’, ahd. bolla f. ‘Wasserblase, Fruchtbalg oder Knoten des Flachses’, mhd. bolle f. ‘Knospe, kugelformiges Gefäß’, ahd. hirnibolla ‘Hirnschale’, nhd. Bolle, Roßbollen, mhd. bullich, bolch ‘großer Fisch u. a. Kabeljau’ (vgl. φάλλαινα), vgl. auch ahd. bolōn, mhd. boln ‘rollen, werfen, schleudern’ und mit der Bed. geschwollen = ‘dick, groß’, schwed. mdartl. bål, bol ‘dick undgroß, stark, sehr kühn’, aisl. poet. bolmr ‘Bär’; hierher wohl aisl. bulki ‘Schiffslast’, schwed. dän. bulk ‘Buckel, Knollen’;
auf ein heterokl. Paradigma (?) *bhelr̥, Gen. *bhelnés deutet ahd. bilorn m. f. ‘Zahnfleisch’ (*bilurnō ‘Schwellung, Wulst’), falls nicht aus *beluznō; germ. *bel-n- auch in hess. bille ‘penis’ (: bulle), mnd. (ars-)bille, ndl. bil ‘Hinterbacke’, schwed. fotabjälle ‘Fußballen, Zehenballen’;
ablautend ahd. ballo, balla, nhd. Ball, Ballen, ahd. arsbelli m. Pl. ‘Hinterbacken’, ags. bealluc m. ‘Hoden’ (*bhol-n-), aisl. bǫllr ‘Kugel, Ball, Hode’; aisl. bali ‘Erhöhung entlang dem Uferrande; kleine Erhöhung auf ebenem Boden’; mit Formans -to- und der Bed. ‘geschwollen’ = ‘hochfahrend, kühn’, got. bal-þaba Adv. ‘kühnlich’, balþei f. ‘Kühnheit’, aisl. ballr ‘furchtbar, gefährlich’, baldinn ‘trotzig’, ags. beald ‘kühn, dreist’, ahd. bald ‘kühn, dreist, schnell’, nhd. bald Adv.; dazu ags. bealdor ‘Fürst, Herr’, aisl. GN Baldr.
Mit Abtönungsstufe *bhōl- wohl norw. bøl ‘brünstig, von der Sau’ (ablautend bala ‘brünstig sein’).
Wurzelform bhlē-:
Gr. φλήναφος ‘Geschwätz, schwatzhaft’, φλην-έω, -άω ‘bin schwatzhaft’; ἐκωφλαίνω wie φαίνω von bhā-, Aor. ἐκφλῆναι ‘hervorsprudeln’;
lat. flō, flāre ‘blasen’ (wohl aus *bhlǝ-i̯ō), aber flēmina ‘Krampfadern’ ist wohl Lw. aus gr. φλεγμονή; norw. dial. blæma ‘Hautbläschen’; aschwed. blæmma ds.; ahd. blāt(t)ara, as. blādara ‘Blase, Blatter’, ags. blǣdre ds., Red.-St. aisl. blaðra ‘Bläschen, Blatter’, ahd. usw. blat ‘Blatt’; aisl. blā- in Zs. ‘übermäßig, sehr’; mit vorherrschender Bed. ‘blasen’ ahd. i̯o-Präs. blājan, blāen ‘blasen, blähen, aufblähen’, ags. blāwan ‘blasen’ (das w aus dem Perf.), ahd. blāt, ags. blæd ‘Wehen, Hauch, Windstoß’, aisl. blǣr ‘Windstoß’; mit -s- got. ufblēsan ‘aufblasen’, aisl. blāsa ‘blasen, keuchen, aufblasen; unpers.: aufschwellen’, ahd. blāsan ‘blasen’, blāsa ‘Blase’, blāst ‘Blasen, Hauch’, ags. blǣst, aisl. blāstr (*blēstu-) ‘Blasen, Hauch, Schnauben, Zorn’;
lett. blèņas ‘Possen’ stammt aus dem russ. Lw. blèdis ‘Betrüger’.
Hierher vielleicht got. blōþ ‘Blut’, s. bhel-4.

WP. II 177 f., WH. I 515, 524 f.Dazu bhel-4 ‘blühen’ usw. und die Erweiterungen bhelg̑h-, bhlē̆d-, bhleg-, bhlei-, bhleu- ‘schwellen’ usw.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal