Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bakvis - (jong meisje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bakvis zn. ‘jong meisje’
Nnl. bakvischje ‘jong meisje’ [1875; WNT].
Ontleend aan Duits Backfisch ‘jong meisje’ [1555]. De oorspr. betekenis is ‘vis om te bakken’ [1527; MNHWS], zie → bakken 1 en → vis. De vissen die nog niet groot genoeg zijn om afzonderlijk bereid te worden, gaan samen de pan in.
In Duitse studentenkringen heeft Backfisch aanvankelijk de betekenis ‘onrijpe student’ [1550], misschien door de klankovereenkomst met middeleeuws Latijn baccalaureus (zie → baccalaureaat); niet veel later komt de betekenis ‘onvolwassen, puberaal meisje’ op.
Het woord heeft vaak een negatieve gevoelswaarde en is nu verouderd evenals in het Duits en in het Engels bachfisch [1888; OED], backfisch [1891; OED]; Deens bakfisk, backfisch; Zweeds backfisk, backfisch. Fries bakfisk betekent uitsluitend ‘vis om te bakken’.

EWN: bakvis zn. 'jong meisje' (1875)
ANTEDATERING: Lorle is geen bakvisch meer [1857; Sterk 2, 19]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bakvis [meisje tussen 14 en 17 jaar] {1875, backvisch [vis die gebakken wordt] 1527} < hoogduits Backfisch, eig. een vis die niet mooi en groot genoeg is om afzonderlijk gekocht en opgediend te worden en dus met andere ondermaatse visjes wordt gebakken, vgl. bakzo. Vgl. ook een (halfwassen) brasem voor ‘een opgeschoten jongen of meisje’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bakvis znw. m. in de 19de eeuw < nnd. backfisch, eig. vis, die reeds te groot is, om weer in het water teruggeworpen te worden’. Sedert 1555 heten in het hd. ‘jonge meisjes’ zo, maar iets eerder voor ‘onrijpe studenten’ (onder invloed van baccalaureus?).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bakvisch znw. De bet. “aankomend meisje” naar hd. backfisch m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bakvisch m., uit Hgd. backfisch = klein vischje om te bakken; in de studententaal fisch = vrouwspersoon, en bakfisch = aankomend meisje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bakvis s.nw.
1. Kleinerige vis wat geskik is om in 'n pan gebak te word. 2. (in die verkleinw. bakvissie; skertsend) Opgeskote meisie tussen 14 en 18 jaar.
Uit Ndl. bakvis (1527 in bet. 1, 1875 in bet. 2), in bet. 2 wsk. so genoem omdat 'n opgeskote of onvolwasse meisie herinner aan 'n vis wat klein genoeg is om in 'n pan gebak te word.
Ndl. bakvis uit Hoogduits Backfisch 'vis wat te klein is vir 'n ete en daarom saam met ander ondermaatvis voorgesit word'.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bakvis: meisje dat nog niet volwassen is, dat veel giechelt: te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken. Eigenlijk: een kleine vis, geschikt om te bakken (tegenover de grote die gekookt worden). Van Hoogduits Backfisch. Duitse bronnen gaan ervan uit dat het oorspronkelijk een studentenwoord is geweest voor ‘baccalaureus’, de laagste academische graad of een jonge student. Later werd het dan toegepast op meisjes. Een opgeschoten jongen werd vroeger een halfbakken of halfwassen brasem genoemd. De eerste bakvis in de meisjesliteratuur was het personage ‘Jo March’ van de Amerikaanse schrijfster Louise May Alcott (1832-1888). In de Nederlandse literatuur was haar evenbeeld ‘Joop ter Heul’, de hoofdfiguur uit een reeks boeken van Cissy van Marxveldt (1889-1948). Min of meer bekend is ‘De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul’. Daarin treedt een vijftienjarig meisje op de voorgrond dat schalks, koket, giechelig en onervaren is: allemaal kenmerken van een bakvis.

’n Halve gare was ze natuurlik niet, en evenmin ’n geëxalteerde huis-tuin-of-keuken-bakvis in ’t kwadraat. (De Groene Amsterdammer, 12/07/1924)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bakvis (Duits Backfisch)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bakvis ‘meisje tussen 14 en 17 jaar’ -> Fries bakfisk ‘meisje tussen 14 en 17 jaar’.

bakvis ‘gebakken vis’ -> Negerhollands bakfes ‘gebakken vis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bakvis meisje tussen 14 en 17 jaar 1875 [WNT] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

143. Bakvisch,

d.w.z. een aankomend meisje; een navolging van het hd. Backfisch. ‘De toepassing van het woord is daaruit te verklaren, dat de visch die gebakken wordt vooral van kleiner soort is’; Ndl. Wdb. II, 899. In Zeitschr. f. Deutsche Wortf. III, 94 en bij Kluge, Wtb. 32 wordt ondersteld dat het oorspr. een studentenwoord is geweest voor baccalaureus, laagste academische graad, dus jong student, en vandaar is toegepast op meisjes. In het Antw. Idiot. 179 wordt bakvisch zijn vermeld in den zin van: er aan zijn in 't spel, of in de boet geslagen zijn; ook in den zin van zeker zullen sterven (woordspel met het ww. bakken, aanbakken; zie no. 142). Vgl. het synonieme een (halfwassen) brasem, een opgeschoten jongen of meisjeVgl. Sewel, 310 c: half-wassen-braassems, hoop-loopers, scheepsjongens van 16 tot 18 of 20 jaaren; Köster Henke, 11: brasem, kerel; Jord. II, 14: Madame smoesde weer met de brasempjes (jonge meisjes), vlak voor 't buffet. Menschenw. 254: Wa' luie broasims die jonges van jou tog-en-binne, dolde Janbuur. Syn. is ook platvisch voor onmondige meisjes; Jord. II, 33: Jet vangt d'r platvisch sooveul d'r over de vlakte swermt tussche Groot-Mokum, Rotterdam en 't Haagie!, die ‘te klein voor een tafellaken en te groot voor een servet’ is. In het hd. heet een halfwassen jongen een gründling of ook een gelbschnabel (vgl. Rose, 11834: U die bec so geel noch steet), grünschnabel, grünspecht; in het fr. un béjaune, blanc-bec; in Friesland een blei, een laffe meid (Ndl. Wdb. II, 2822).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal