Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bakbeest - (lomp gevaarte, lomp mens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bakbeest zn. ‘lomp gevaarte, lomp mens’
Vnnl. Waer me moeyde gy u, Uyl, Gy Back-beest ‘waar bemoei je je mee, uil, lomperik’ [1652; WNT], Van de mijnwerksche bakbeesten ‘over lompe metalen gevaartes (machines)’ [1661; WNT].
Gevormd met → beest, maar de etymologie van het eerste lid is onzeker. Dat zou → bak 3 ‘zijde spek, varken’ kunnen zijn en dan te vergelijken met West-Vlaams bakzwijn ‘ontuchtig mens, wellusteling’. Maar ook → bak 1 in de betekenis ‘etensbak, trog’ komt in aanmerking, waarbij men zou moeten denken aan een dier dat niet meer gezoogd wordt en dus volwassen (en groot) is.

EWN: bakbeest zn. 'lomp gevaarte, lomp mens' (1652)
ANTEDATERING: Dat groote Back-beest (een schip) [1615; iWNT plokken]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bakbeest [groot, lomp voorwerp] {1661} het eerste lid is waarschijnlijk middelnederlands bake [zij spek, varken] (vgl. bak2), dus de oorspronkelijke betekenis is vermoedelijk een ‘vetgemest varken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bakbeest znw. o., ‘groot, lomp voorwerp’, eerst uit de 17de eeuw bekend, vgl. nnd. bakbēst ‘dier of voorwerp dat plomp van vorm is’. Hierin is het 1ste lid zeker bak 1.

Met FW 841 kan men uitgaan van het woord bak in de zin van ‘etensbak, trog’ en dan dus eig. ‘beest (varken), dat aan de trog vetgemest wordt’. In het vla. betekent bakbeeste v. ‘dronkaard, wulpse kerel’, vgl. ook bakzwijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bakbeest znw. o., nog niet bij Kil. = ndd. bakbêst “plomp dier, plomp ding, plomp persoon”. Een samenst. (contaminatie) van bak en beest, die te eer kon ontstaan, doordat de beide woorden allitereeren. Vgl. Dortmundsch backdôs “plomp, ruw mensch”. De vla. bet. van bakbeeste v. “dronkaard, wulpsche kerel” is secundair, wellicht onder invloed van bakzwijn “wellusteling” en het overdrachtelijk gebruikte beeste opgekomen; bakzwijn is wellicht uit bāke (zie achterbaks) + zwijn ontstaan.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bakbeest. Bak is in deze samenst. = “etensbak”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bakbeest. In de Aanv. aanvaardt v.Wijk de opvatting dat bak hier = ‘etensbak’. De oorspr. bet. zou dan zijn ‘beest, dat aan de bak eet (om gemest te worden)’. Dit is echter niet meer dan een losse gissing, daar die grondbet. nergens is overgeleverd, en de tegenwoordige bet. reeds in de 17e eeuw voorkomt. Voor het moderne taalgevoel is stellig bak in deze samenst. = ‘grote ruimte, groot voorwerp’, maar dit kan secundair zijn. De alliteratie, zo ze al niet aanleiding is geweest tot de vorming van het woord, bevordert in ieder geval het voortbestaan en de verbreiding.
Uit het Ndd.: de. bagbæst ‘zwaargebouwd dier, lompe vrouw’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bakbeest n., evenals bakzwijn een samenst. met bak 1 = etensbak; men zegt immers: een beest op den bak zetten (nl. om het vet te mesten); ook Fr. baquier m.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bakbeeste zn. v.: rund dat op stal gemest wordt. Overdr.: lomperd. De bakbeeste staat tegenover de weibeeste. De verklaring van Van Dale uit bake ‘zij spek’, zal dus wel fout zijn.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bakbeest: dronken man; wulpse kerel. In deze zin reeds opgetekend bij J. van der Veen (Zinne-beelden, oft Adams Appel, 1642). De betekenis van ‘dronkaard’ is wellicht ontwikkeld vanuit bak, benaming voor een grote borrel. Thans verouderd. In het noorden wordt het woord eerder geassocieerd met iets lomps, waarbij het niet uitmaakt of het om een zaak of een persoon gaat.

Wel, Huisman, welke is de naaste weg naar Assize? Hoor je niet, Bakbeest? (Jacob Campo Weyerman, De Rotterdamsche Hermes, 1720)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bakbeest ‘groot, lomp voorwerp’ -> Deens bagbæst ‘scheldwoord voor onhandig persoon’; Noors bakbest ‘scheldwoord voor een bijzonder onwillig persoon of dier’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bakbeest groot, lomp voorwerp 1661 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

136. Een bakbeest,

d.w.z. iets lomps en diks, een gevaarte; eig. een dier, een varken, dat aan den bak gevoederd wordt en dus volwassen is. In de 17de eeuw komt het woord ook voor in den zin van lomperd, domkop, of wellicht als dronkaard (in dezen zin nog in Zuid-Nederland, wellicht met zinspeling op bak, groote borrel; vgl. Teirl. 94; De Bo, 73; Schuerm. Bijv. 18; Waasch Idiot. 87Mag ook het Drentsche bakenter, zwendelaar, drinker, vergeleken worden? Zie Bergsma, 25.). Zie het Ndl. Wdb. II, 875 en vgl. nog Winsch. 152; Moortje 247; Rusting 250; 251; Focquenbroch, Eneas, 80 vs. 5: dat lompe bakbeest; Halma, 38; Bakbeest, ce mot se dit de toutes les choses trop grandes; een bakbeest van een schip, van een boek, van een mensch (een dik ongeschikt mensch); Sewel, 55: Een bakbeest, een log en dom stuk vleesch, a clumsy fellow, a lob, a lobcock. Querido, Jord. 46: Rooie Griet, hoog als een bak-beest en breed als een ton, pruimde sappiger dan 'n schuitenvoerder; Boefje, 3: Een bakbeest van een kamer. Syn. hiervan zijn in Zuidndl. dial. bakverken en bakzwijn; fri. bak(ke)beest; Bouman, 5; Molema, 16: bakbijst; Gunnink, 102; V. Schothorst, 100; Ten Doornk. Koolman I, 82: bakbêst.

1226. Een kokker(d),

Hiermede duidt men iets aan, dat groot in zijn soort is; bijv. een kokkerd van een neusOok een janus of een kanus geheeten. Vgl. Nkr. VIII, 28 Maart, p. 5: Wat een Janus, wat een Kanus, wat een reuzenneus is dat!, van een appel, enz.; fri. in kokkert fen in bern (kind), in apel (appel), wat men in de Zaanstreek een bommerd noemt (Boekenoogen, 90) en ook wel een bakbeest (zie no. 136) heet, bij Sewel een klouwer en in Antwerpen een bommel, bonker, klepper, sjeur genoemd wordt (Antw. Idiot. 270). Elders, ook in West-Vlaanderen, gebruikt men hiervoor een bonke, een ponke (van een pompoen, een peer). Dat we hier, zooals in Tijdschrift IX, 155 vermoed wordt, met een der vele verbasteringen van krokodil te doen hebben, is niet waarschijnlijk. Eerder zullen we met Dr. A. Kluyver (Tijdschrift XI, 24) moeten denken aan een verkorting van kokkernoot, kokosnoot, zuidndl. kokernoot (dit ook bij Halma en Sewel); vgl. eng. coker, cokernut; hd. kockernusz. Vgl. Gunnink, 153; Köster Henke, 35: kokkerd, een groote. Een groote neus bijv.: Falkl. V, 76: De neus van dien man..... een kokkert; ook blz. 77; Falkl. VII, 224: Zoo'n kokker van een kotelet; Diamst. 218: 'n Kokkert van 'n teen; Ppl. 53: Dat's ook geen kleintje - nee zeg ik 't is een kokkert; Het Volk, 2 Jan. 1914, p. 3 k. 2:

Dorus was voor z'n pensioentje
Naar het Postkantoor gegaan.
Met 'n droppel an z'n kokkert
Pakte-nie de centen aan.

Menschenw. 14: D'r hang 'n droppel an je kokkert! In West-Vlaanderen wordt kokkertje als vleinaam tegen kinderen gebruikt (Onze Volkstaal III, 17).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal