Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bacil - (staaf- of kommavormige bacterie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bacil zn. ‘staaf- of kommavormige bacterie’
Nnl. bacil [1895; WNT ziekte], met daarnaast ook bacillariën “stofdiertjes, eene soort van infusie-diertjes” [1855; Kramers], bacillen (alleen mv.) ‘stofdiertjes; staafjes, kaarsjes’ [1886; Kramers].
Gezien de vorm wrsch. via Frans bacille ‘zekere bacterie’, eerder al ‘staafvormig insect of plantendeel’ [1838; Rey], ontleend aan Neolatijn bacillus (mannelijk), bacillum ‘bacil’ < Latijn bacillum ‘stokje, staafje’, verkleinwoord van baculum ‘stok, staf, scepter’, verwant met Grieks báktron ‘staaf’, dat dezelfde stam is als in → bacterie; zie ook → imbeciel.
In het Frans bestond eerder al bacille ‘Europese wandelende tak (Bacillus rossii)’ [1842; Rey]. De bacillen zijn door de Duitse botanicus F. Cohn in 1872 genoemd naar hun vorm, waarbij hij zich waarschijnlijk op deze Franse term baseerde. Het is nu een internationaal woord en in strikte zin duidt het eigenlijk alleen het bacteriëngeslacht Bacillis aan. In het Nederlands daarentegen wordt het in ruimere zin gebruikt, waarmee het fungeert als synoniem van bacterie.

EWN: bacil zn. 'staaf- of kommavormige bacterie' (1886)
ANTEDATERING: eerst bacillen "in de apotheken, al die toebereidingen, welke rond en langwerpig zijn" [1843; Weiland]
Later: bacilli 'bepaalde bacteriën' [1877; iWNT]; om ... de sporen der bacillen te dooden [1882; LC 4/9] (EWN: 1895)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bacil [bacterie] {1901-1925} zo gevormd door Ferdinand Julius Cohn (1828-1898), Duits botanicus, van latijn bacillus [stokje], verkleiningsvorm van baculum [stok], verwant met grieks baktron [stok, scepter], baktèrion, baktèria [stok], waaruit bacterie; bacil en bacterie zijn zo genoemd naar hun staafvorm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

basil: sg. “kommabakterie”, sedert Müller (voor 1850) se beskrywing min of meer intern. in wetensk. taal as bacillus (Ll. dim. v. baculus/baculum, “staaf”), in Ndl. bacil.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bacil (van Latijn bacillum)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bacil ‘bacterie’ -> Indonesisch basil ‘bacterie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bacil bacterie 1904 [WNT slijmig]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal