Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

babysitter - (oppas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baby zn. ‘zuigeling, klein kind’
Nnl. baby [1875; WNT Aanv.].
Ontleend aan Engels baby ‘zuigeling, klein kind’ [1377; OED], koosvorm van babe ‘id.’, zelf wrsch. verkort uit Middelengels baban ‘id.’ [ca. 1230; OED], een brabbelwoord.
Het brabbelwoord vertoont overeenkomsten met gelijksoortige woorden in andere talen, zie bij → babbelen; het is een woord als baba, dada, mama, papa. De /i/-vormen (baby, daddy, mammi, pappi) zijn de verkleinwoorden, als koosnaam.
babyboomer ‘iemand die geboren is tussen het eind van de Tweede Wereldoorlog en 1960’. Nnl. babyboomer ‘id.’ [1988; Coster 1999]. Ontleend aan Engels babyboomer ‘id.’, bij het zn. baby boom ‘geboortegolf’ [na 1945], gevormd uit baby en boom ‘hausse’, dat wrsch. verwant is met (vaar)boom, zie → boom. ♦ babysitter zn. ‘oppas’. Nnl. babysitter ‘id.’ [1953; Brandt/Haan]. Ontleend aan Amerikaans-Engels babysitter [1937], uit baby en sitter. De letterlijke betekenis is ongeveer ‘iemand die bij de baby zit’, zie → zitten. Een variant is babysit met dezelfde betekenis. Pas na de Tweede Wereldoorlog raakten beide woorden buiten Amerika bekend. ♦ babysitten ww. ‘als babysit optreden’. Nnl. babysitten ‘id.’ [1976; Dale]. Ontleend aan het Engelse ww. babysit, met de Nederlandse werkwoordsuitgang -en.

EWN: baby zn. 'zuigeling, klein kind' (1875)
ANTEDATERING: voor het onderhoud zyner vrouw en hetgeen er verder volgt — de "babies" [1852; De Curaçaosche courant (KB) 31/1]
Later: ... had mijnheer de baby op zijn schoot [1869; Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant (KB) 25/8]
EWN: ♦ babyboomer 'iemand die geboren is tussen het eind van de Tweede Wereldoorlog en 1960' (1988)
ANTEDATERING: zij is ook een babyboomer [1987; De Waarheid (KB) 24/11]
EWN: ♦ babysitter zn. 'oppas' (1953)
ANTEDATERING: "baby-sitter" [1948; Leidsch dagblad (Ld) 29/12]
EWN: ♦ babysitten ww. 'als babysit optreden' (1976)
ANTEDATERING: "Baby-sitten" [1948; Leidsch dagblad (Ld) 29/12]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

babasitter s.nw.
Persoon wat gehuur word om kinders op te pas wanneer die ouers nie tuis is nie.
Uit Eng. baby-sitter (1947), met vertaling van die eerste lid deur Afr. baba.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

babysitter (Engels baby-sitter)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

babysitter [beebiesituh] ► babysit.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

babysit(ter) zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = kinderoppas, oppas, wiegenwacht, bengelbewaarder. We kunnen met een gerust hart uitgaan, want onze oppas let altijd goed op onze kleintjes.

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

Babysitter (1958) persoon, vaak student, die tegen betaling op kinderen past gedurende afwezigheid der ouders. In Ned. vindt ook de term oppas ingang.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal