Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baboe - (oppasster, (kinder)meid)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Nanny

Vroeger werd de kinderoppas ‘kindermeisje’ genoemd, maar sinds de jaren negentig is een andere term in zwang: nanny. Het woord is verbreid via advertenties waarin expats huishoudelijk personeel zoeken, maar ook door de televisieserie The Nanny en door Hansje Görtz, die na tweeënhalf jaar zorg voor de prinsessen Amalia, Alexia en Ariane in 2007 een eigen ‘nanny academy’ oprichtte. Waar komt het woord nanny vandaan?
Op 13 december 1692 noteerde staatsman en wetenschapper Constantijn Huygens jr. in zijn Journaal: “Gisteren kreegh 10 pond choccolate wederom van nicht Becker, en had Nanny, haer meidt, geweest om mij ’t geldt, dat van haer hebben most, te brengen.” Hier is Nanny een eigennaam. De Engelse meisjesnaam is afgeleid van Nan, op zijn beurt een troetelvariant van Ann(e). Omdat veel vrouwelijke huisbedienden in het Engels de voornaam Nan of Nanny hadden, verschoof de betekenis in de achttiende eeuw naar die van een beroepsaanduiding: ‘meid, kindermeisje’.

Non
Bij die ontwikkeling van meisjesnaam naar beroepsnaam kan de klank van het woord een belangrijke rol gespeeld hebben. In verschillende Indo-Europese talen komt namelijk nana of een vergelijkbaar woord voor als een oeroud kindertaalwoord ter aanduiding van vrouwelijke personen die niet de moeder zijn. Het Russisch heeft njanja (‘verzorgster’) en het Grieks nannē (‘tante’). In het Engels worden nan, nana, nanna en ook nanny sinds de negentiende eeuw gebruikt als vertrouwelijke aanspreekvormen voor de grootmoeder.
Ook het Latijn kende twee van zulke kinderwoorden: nonna en nonnus (respectievelijk ‘oudere vrouw’ en ‘oudere man’). Deze woorden hebben een bijzondere betekenisontwikkeling doorgemaakt. In het Italiaans, een dochtertaal van het Latijn, betekent nonna tegenwoordig ‘grootmoeder’ en nonno ‘grootvader’. In het kerkelijk Latijn werd de vorm nonnus vanaf de vijfde eeuw gebruikt om met respect en genegenheid een oudere kloosterling aan te duiden. De vrouwelijke vorm nonna, die de betekenis ‘kloosterlinge’ aannam, leeft in het Nederlands sinds de dertiende eeuw voort als non. In onze taal betekent non niet alleen ‘kloosterlinge’, het woord heeft ook opgang gemaakt als benaming voor een sierduivenras, een vlindersoort en een schelpdier.
Het Latijnse kindertaalwoord nonna heeft qua klank wel iets weg van het Latijnse mamma (‘vrouwenborst’, in kindertaal: ‘moeder’) en het Griekse pa(p)pas (‘vader’). De woorden mama en papa komen in veel talen voor; ze zijn meestal in de zeventiende eeuw ontleend aan het Franse mamman en papa. Hun populariteit (en die van nonna) is ongetwijfeld te danken aan de klankstructuur, die precies aansluit bij het eerste gebrabbel van kinderen.

Nutricia
Uit de koloniale tijd stamt een andere term voor kinderverzorgster: baboe. Het Nederlands-Indische woord komt uit het Javaans. Niet alleen in huis, maar ook op scheepsreizen verrichtten de Javaanse kinderjuffrouwen hun werk. In Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië van 9 januari 1920 staat een advertentie waarin wordt gezocht naar “Een zeebaboe, om direct in dienst te treden en met dame en twee kinderen mee te gaan naar Hongkong.”
Het Franse woord voor kindermeisje is nounou. Het komt uit de kindertaal en is een herhalende verkorting van de formelere term nourrice (‘kindermeisje, verpleegster’), dat teruggaat op het Laatlatijnse nutricia, in ouder Latijn: nutrix (‘voedster’). Ook het Engelse nurse (‘verzorgster, algemener: verpleegster’), dat aanvankelijk nurrice luidde, is ontleend aan het Franse nourrice. In het Engels werd onderscheid gemaakt tussen een ‘dry nurse’, die het kind verzorgde, en een ‘wet nurse’, die ook de borst gaf.
Het Latijnse woord voor ‘voedster’ komt in Nederland ook voor als merknaam: Nutricia. De N.V. Nutricia, opgericht in 1901, legde zich toe op zuigelingenvoeding uit koemelk, en later ook op snel toe te bereiden babyvoeding. De Latijnse naam onderstreepte de medisch-wetenschappelijke oriëntatie van het bedrijf. Talloze Nederlanders zijn grootgebracht met het Nutricia-product Olvarit (1946), een kant-en-klare babygroentevoeding. De naam is een combinatie van twee Latijnse woorden: olus (‘groente’) en variare (‘afwisselen’). Uit 1955 stamt Nutrix, een pap op basis van gekookte rijstebloem, uit 1965 Bambix, een instantbrij met graanvlokken. De fantasienamen met hun commerciële slot-x – die we ook aantreffen in heel andere productnamen, zoals Tampax en Rolex – zijn voor kleintjes lastig uit te spreken, maar nanny’s zijn met deze babyhapjes maar al te vertrouwd.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Nanny’, in: Onze Taal 9, 31.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baboe zn. ‘oppasster, (kinder)meid’
Nnl. baboe ‘kindermeid’ [1866; WNT gekrijsch].
Ontleend aan Maleis babu ‘(kinder)meid’.
Het woord komt nog niet voor in oude VOC-stukken; zoals meer woorden uit de huiselijke sfeer in Nederlands-Indië krijgt het pas omstreeks het midden van de 19e eeuw bekendheid.
Lit.: 't Hart 1998

EWN: baboe zn. 'oppasster, (kinder)meid' (1866)
ANTEDATERING: de "baboe" van het kind [1850; RegtNI 2, 28]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baboe [oppasster] {1866} < maleis babu [vrouwelijke huisbediende], javaans babu.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

baboe1 [oppasster]. Baboe betekent in het Javaans en Maleis de voedster of minne van een kind, hetzij de moeder zelf of een andere vrouw die die taak vervult, en bij uitbreiding ook de oppasster van een kind of kindermeid. Het gebruik van het woord komt zeer overeen met dat van het Engelse nurse; de baboe is zowel dry nurse als wet nurse. Ook in Nederland is dit woord zeer bekend en gebruikelijk. De Javaanse meiden, die vaak de uit Indië terugkerende families voor verzorging van de nog jonge kinderen naar Europa vergezellen, zijn algemeen bij de naam van baboe bekend en in onze dagbladen zijn advertenties niet zeldzaam, waarbij een naar Europa overgekomen baboe haar diensten aan naar Indië vertrekkende families aanbiedt of gelegenheid zoekt op andere wijze naar haar vaderland terug te keren. [V]

baboe2 [oppasster]. Uit Javaans en Maleis baboe, evenwel niet met de betekenis opgegeven door prof. Veth, namelijk dat de baboe zowel dry nurse is als wet nurse. Yule en Burnell hebben dit beter: ‘In Java and the further East babu means a nurse or female servant.’ Zij maken deze opmerking, omdat in het Indisch-Engels baboo de betekenissen heeft van: 1. beschaafd (maar verwijfd) Bengalees; 2. inlandse klerk die Engels schrijft. Men denke hier aan het Baboo-Engels, zo dikwijls door Anstey in de Punch geparodieerd. [P]

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

baboe (Javaans baboe)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Cultuurstelsel [stelsel van koloniaal beheer, waarbij de bevolking verplicht werd bepaalde gewassen te verbouwen] (1830). In 1830 werd in Nederlands-Indië het zogenoemde ‘Cultuurstelsel’ ingevoerd, waarbij inheemse grondeigenaren verplicht werden om twintig procent van hun cultuurgrond te bebouwen met producten voor de Europese markt. Vanaf dat moment gaan de koloniën voor het eerst een ‘batig saldo’ opleveren. De verantwoordelijke ambtenaren krijgen een vorm van provisieloon, de zogenoemde cultuurprocenten, en hebben dus persoonlijk belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst. Multatuli stelt dit in 1860 in zijn Max Havelaar aan de kaak. Terwijl de Nederlanders vóór circa 1830 telkens slechts betrekkelijk kort in Indië verbleven en er niet veel vermenging was met de inheemse bevolking, verandert dit in de loop van de negentiende eeuw: de Nederlanders – vooral mannen – blijven langer, gaan samenwonen of trouwen met Indonesische vrouwen en krijgen kinderen bij hen. Steeds meer Indonesiërs kennen Nederlands. In deze periode beginnen de Indonesische leenwoorden het Nederlands binnen te stromen, bijvoorbeeld baboe, beo, branie, desa, gamelan, gladakker, gonje, guttapercha, kali, kassian, klamboe, lombok, mandiën, nasi, negorij, rimboe, sambal, sarong, soesa en toko. In de negentiende eeuw ontstaat ook het Indisch-Nederlands, het Nederlands zoals gebruikt in Indië, met Indonesische leenwoorden en bijzonderheden in uitspraak en grammatica.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baboe kindermeisje 1859 [Multatuli, Max Havelaar, 59] <Indonesisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal