Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

babbelaartje - (vogelsoort; (BN) borrel)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Babbelaartje Volksnaam “bij Haarlem”, volgens opgave voor de Braamsluiper [Schlegel 1854-1858]. Als F naam geeft deze bron op: La babillarde (p.127), maar bij Brisson stond Fauvette babillarde vermoedelijk voor de Tuinfluiter, dit “wegens zyn lieflyk Gezang vermaard” [Houttuyn 1763 p.572]. Mogelijk is de N naam door de F beïnvloed. Voor de tendens om Zangers als bijv. de Sylvia’s een enigszins negatieve naam te geven, zie sub Taats.
Wickevoort Crommelin 1858 stelt: “De Zangers, Sylvia; de vogels van dit geslacht worden aan den duinkant bij Haarlem ook wel in het algemeen grasmusch genoemd, en alsdan worden de soorten aldus onderscheiden:
35. Sylvia cinerea, Lath., Temm. I bl. 207, gewone grasmusch,
36. Sylvia curruca, Lath., kleine grasmusch en
38. Sylvia hortensis, Bechst., groote of basterd grasmusch;
Sylvia atricapilla is wegens hare zeldzaamheid aldaar niet onder eenen afzonderlijke naam bekend.”
Van Grasmus (nr.35 hierboven) en Tuinfluiter (nr.38) was in die tijd bekend [Schlegel 1852] dat zij als broedvogel algemeen voorkwamen; dit zal dan zeker ook in het struikgewas in de duinen (Grasmus) en struikgewas op vochtige plekken (Tuinfluiter) bij Haarlem het geval geweest zijn, want deze soorten komen daar ook nu nog gewoon voor. De naam “gewone grasmusch” (hierboven) wijst daar trouwens (voor wat de Grasmus betreft) ook duidelijk op. Het is ongetwijfeld één van déze soorten geweest (en niet de veel zeldzamer Braamsluiper) die op een extra volksnaam (Babbelaartje in dit geval) aanspraak mocht maken! Als subtiel extra ‘bewijs’ voor deze stelling geldt de omschrijving “bij Haarlem”: Braamsluipers zou je (net als nu nog het geval is) in tuinen verwachten, en tuinen bevinden zich vooral in Haarlem.
Later heeft Thijsse 1938 (p.215) een poging ondernomen om de volksnaam Babbelaartje te verklaren door naar een zacht en door de mensen zelden opgemerkt onderdeel van de Braamsluiperzang te verwijzen; deze overtuigt niet (i.t.t. het benoemingsmotief voor namen als Molenaartje ↑ etc., die op het luide onderdeel (het opvallende rateltje) betrekking hebben.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

babbelaartje In 1853 voor het eerst opgetekend, in het Vlaamse Boek der Werklieden. ‘Alzoo noemen hier sommigen het glazeken genever’, zo lezen we daar, ‘omdat het inderdaad tot babbelen en raaskallen aanzet.’ Ook onlangs is dit woord nog in het Vlaams gesignaleerd.
Vergelijk babbelwater.

[Liev.-Coopm. 122; Mullebrouck 335]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal