Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baat - (voordeel, winst; genezing)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baat zn. ‘voordeel, winst; genezing’
Mnl. bate ‘voordeel’ [1254; CG I, 64], ‘hulp, genezing’ [1287; Nat.Bl.D], ‘genoegdoening, boete’ [1300-50; MNW-R]; vnnl. baat ‘voordeel, nut’ [1635; WNT].
Mnd. bate ‘voordeel, belasting’; mhd. bazze ‘vooruitgang, voordeel’; ofri. bata ‘voordeel’ (nfri. baat); on. bati ‘verbetering’; < pgm. *bata-, substantivering van *bat- ‘goed’, zie → baten.
Het woord wordt vooral gebruikt in de uitdrukkingen ten bate van en baat vinden bij. Daarnaast bestaat het ablautende zn.boete.

EWN: baat zn. 'voordeel, winst; genezing' (1254*)
ANTEDATERING: arde clene bate 'heel weinig voordeel' [1240-60; VMNW]
{* De oudste datering in het EWN (1254) moet gewijzigd worden in: 1300-25. Het Latijnse origineel waarvan de mnl. tekst uit 1300-25 een vertaling is, stamt uit 1254.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baat* [nut] {bate, baet [voordeel, nut] 1254} middelnederduits bate, oudfries bata, oudnoors bati, verwant met middelnederlands bet, bat [beter] (vgl. beter).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baat znw. v., mnl. bāte ‘voordeel, hulp, genezing, boete’, mnd. bāte ‘voordeel, belasting’, ofri. bǎta m. ‘voordeel’, on. bǎti ‘verbetering, vooruitgang’, mhd. bǎzze ‘vooruitgang, voordeel’. — Zie: beter en boete.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baat znw., mnl. bāte v. “voordeel, nut, hulp, genezing, genoegdoening, boete”. = mnd. bāte v. “voordeel, cijns”. De ā van westf. en achterh. bāte wijst op een ospr. . Vgl. ook ofri. bata m. “voordeel”, on. bati m. “verbetering, vooruitgang”. Het woord is een afl. van de basis van beter, boete en heeft dezelfde vocaaltrap als het eerste (*ƀatizan-). Evenzoo het ww. baten, mnl. bāten “baten, helpen” = ohd. baʒʒên “beter worden”, mnd. bāten “baten, helpen”, ofri. batia “baten”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] baat. Adde: ags. batian “beter worden, baat vinden”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baat. Bij baten toe te voegen: ags. batian ‘beter worden’ (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baat v., Mnl. bate + Ndd. bate, Middeld. id., Ofri. bata, On. bati; is afleid. van den stam *bat (vergel. dag, dagen) die met umlaut in beter en met ablaut in boet voorkomt (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1baat s.nw.
1. Voordeel, nut. 2. Genesing of verligting van siekte of pyn. 3. Besitting, aanwins.
Uit Ndl. baat (Mnl. bate). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Baat (bij iets vinden) is verwant met het oude bat of bet, dat goed bet. en ook voorkomt in beter, best (voor betst), boeten (de misdaad weer goed maken); netten en ketels boeten, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baat ‘nut’ -> Schots † bat ‘kleine extra hoeveelheid, gratis verschaft aan een koper’; Frans dialect bat ‘voordeel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baat* nut 1240-1260 [VMNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhā̆d- ‘gut’

Ai. bhadrá-ḥ ‘erfreulich, glücklich, gut’, n. ‘Glück, Heil’, sú-bhadra-ḥ ‘herrlich’ = av. hu-baδra- ‘glücklich’;
got. batiza ‘besser’, batista ‘bester’, aisl. betre, betstr, ags. bet(e)ra, betst, ahd. bezzir(o), bezzist, nhd. besser, best; dazu das Adv. des Kompar. aisl. betr, ags. bet (*batiz), ahd. baz (*bataz, erstarrtes Neutr. ‘Nutzen’); aisl. bati m. ‘Verbesserung, Heil’, afries. bata m. ‘Vorteil’, mhd. bazze ds.; got. gabatnan ‘Nutzen erlangen’, aisl. batna ‘besser werden’, ags. batian, ahd. bazzen ds.; mit Ablaut got. bōta f. ‘Nutzen’, aisl. ags. bōt ‘Besserung, Ersatz’, ahd. buoz(a) f. ‘Besserung, Buße’.

WP. II 151 f., Feist 83, 103, 174, J. Weisweiler Buße (1930).

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal