Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baarlijk - (zich onbedekt vertonend; puur, klinkklaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baarlijk bn. ‘zich onbedekt vertonend; puur, klinkklaar’
Mnl. die duuel barlike ‘de duivel die zich openlijk vertoont’ [1291-1300; CG II, Wiss.]; vnnl. baarlyk ‘overduidelijk’ [1642; WNT].
Met het achtervoegsel → -lijk afgeleid van → baar 5.
Os. bar(a)līco ‘openlijk’; ohd. barlīhho; nfri. baarlik; oe. bærlīce.
Het woord komt alleen voor in uitdrukkingen als de baarlijke duivel, baarlijke onzin of nonsens.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baarlijk* [zich onbedekt vertonend] {ba(e)rlike [(bijw.) bloot, louter, slechts, baarlijk, in eigen persoon] 1291} van middelnederlands baer [bloot], oudsaksisch baraliko, oudhoogduits barlihho, oudengels baerlice, van oudsaksisch, oudhoogduits bar, oudengels bær, oudnoors berr; buiten het germ. litouws basas, oudkerkslavisch bosŭ [blootsvoets] → barrevoets.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

baarlijk

Het woord baarlijk komt thans alleen nog voor in de verbinding: de baarlijke duivel, de duivel die zich zonder enige vermomming, in al zijn verschrikkelijkheid vertoont.

Het woord is afgeleid van baar: bloot, naakt, open, dat hetzelfde is als bar: erg. Baar komt alleen nog voor in enige vaste verbindingen, zoals: baar geld en bare (of baarlijke) onzin. De vorm bar vindt men nog in barrevoets: op blote voeten lopend. Vroeger werd het woord baarlijk ook in andere verbindingen gebruikt. Men sprak van de baarlijke dood, van baarlijke wolven en zelfs van een baarlijk tiran.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baarlijk bnw., alleen nog in de baarlijke duivel, vgl. os. bar(a)līko, ‘openlijk’, ohd. barlīhho ‘absolute’, oe. bærlīce ‘openlijk’. — Afgeleid van baar 5.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baar V bnw., mnl. baer “naakt, bloot, open’’. In oorsprong één met het bnw. bar “erg” (ook dial., bijv. Veluwe, Kampen, Drente, ook fri. bar, als bijw. bāre “erg”), guur, barsch” en “dor” (Zaansch). Baar wordt nog in baar geld, bare onzin en de bare duivel gebruikt, dial. ook nog = “bloot, onbedekt”, bijv. bij Bommel: də baorə grond. De van bar is klankwettig in samenstt. als bar(re)voets en in den sterken nomin. en accus. enk. m. en o. < germ. *ƀazaz, -an; baar heeft de gerekte vokaal van de andere casus. Bar, baar = ohd. bar, barêr (nhd. bar), os. bar, (ofri. ber-fôt), ags. bær (eng. bare), on. berr “naakt, bloot” (en afgeleide bett.). Germ. *ƀaza- = obg. bosŭ, lit. bãsas “met bloote voeten”; een formantische afl. van idg. *bhoso- is arm. bok “id.”. De verdere combinatie met gr. ps-īlós “kaal”, ps-ēnós, ps-ānós “kaalhoofdig”, ps-ōlós “zonder voorhuid” is aannemelijk. Te verwerpen is de hypothese, dat de uitdr. bare duivel onder invloed van zig. baro dewel “groote God” is ontstaan. Het Oud-mnl. kent reeds de verbinding die dûvel barlike. Dit ba(e)rlijc, -like, nnl. baarlijk is als bijw. een oud woord, vgl. ohd. barlîhho “absolute”, os. bar(a)lîko, ags. bærlîce “openlijk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baarlijk bijv., afgel. van baar 5, Mnl. baerlijc, Os. barlîko + Ohd. barlîhho (Mhd. bärlich) = bloot.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal