Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baar - (staaf metaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baar 3 zn. ‘staaf’
Mnl. als familienaam in van der Baren ‘slagboom, afsluiting’ [1341; Debrabandere 1993], bare, baer ‘slagboom’ [ca. 1340; MNW], ‘verschansing, balk in wapenschild of banier; dwarsbalk in ton of vat’; nnl. baaren ‘staven (zilver)’ [1701; WNT zilvervloot].
Ontleend aan Frans barre ‘staaf, balk’ [12e eeuw; Rey] < vulgair Latijn *barra ‘afsluitbalk’, van onzekere herkomst. Er wordt wel een Keltische oorsprong voorgesteld: Gallisch *barro ‘top, uiteinde’ dat veel in toponiemen voorkomt; ook Bretons barri ‘tak’. Voorts wordt gedacht aan Mozarabisch (= het Spaans ten tijde van de Arabische overheersing) barra ‘ijzeren staaf’.
Frans barre (of bar) is in het Nederlands ook bekend als de leuning waaraan balletoefeningen worden gedaan. Via het Engels is hetzelfde woord ontleend als → bar 2 ‘tapkast; café’ en als eerste lid in → barcode. Afleidingen van het Franse woord zijn in het Nederlands terechtgekomen als → barrière, → bareel, → barrage. Het Italiaans is verantwoordelijk voor de afleiding → barricade. Aan het Spaans ontleend is → barak, dat wrsch. ook op hetzelfde *barra teruggaat.
Lit.: M. Philippa (1993) ‘Bar, baar, draagbaar’, in: OT 62, 84

EWN: baar 3 zn. 'staaf' (1341)
ANTEDATERING: bare 'scheidingsbalk' in gelijc datmen speelt ter baren 'zoals men een wedloop tegen elkaar houdt' [1315-35; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baar2 [staaf metaal] {bare [slagboom] 1350} < frans barre [balk, staaf] (vgl. bar2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baar 3 znw. v., ‘staaf’, mnl. bāre ‘slagboom, verschansing’ < fra. barre (vgl. mlat., ital., spa. barra) ‘staaf, sluitboom’.

Ontlening van het franse woord uit het germ. bijv. ohd. bara ‘omheind stuk land’ (FW 26) is niet waarschijnlijk, eerder uit een gallorom. *barra, dat men dan beschouwt als een collectief van gall. *barros ‘struikachtig einde’ (Gamillscheg 84); toch ook onbevredigend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baar III (staaf), mnl. bāre v. “slagboom, verschansing”. Uit fr. barre (= mlat. it. spa. barra) “staaf, sluitboom”, evenzoo mhd. barre v. “sluitboom”, bar v. “staaf, balk, sluitboom” (nhd. barre v., -en m.), meng. barre, eng. bar “staaf, sluitboom, rechtbank”. Het rom. woord wordt weer uit het Germ. afgeleid; men vergelijkt dan ohd. bara v. “omheind stuk land”, dat met lat. forus “gangboord, rij zitbanken, vore om een perk”, gr. pháros “stuk land, vore”, russ. za-bór “schutting”, lit. bãras “oppervlakte, die een maaier in een zwaai maait” en verder met on. berja en verwanten (zie baron, boren) in verband wordt gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baar 2 v. (staaf), Mnl. bare, gelijk Ndd., De., Hgd. barre, Eng. bar, uit Fr. barre, dat met It., Sp. barra, uit Mlat. barram (-a). Dit laatste uit Ohd. bara = omheinde grond + Gr. pháros = stuk land, Lat. forus = omheinde gang, Ru. za-bór = schutting, Boh. brana = deur, Lit. bãras = zwad (z. boren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bare, baarspel, zn.: soort tikkertjesspel, waarbij men het terrein van de tegenspelers moest bereiken. Ook Wvl. Het spel wordt al vermeld door Kiliaan: baere, baeren-spel ‘loopwedstrijd’. Loopspel waarbij oorspr. tot aan een bare ‘ijzeren reling, sluitboom’ gelopen werd. Mnl. bare < Fr . barre < volkslat. barra < Gall. barro ‘uiteinde, hoogtepunt’ (Debrabandere 2002).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

5baar s.nw.
1. Staaf gegote kosbare metaal, bv. goud of silwer. 2. Sandbank voor 'n riviermonding. 3. (heraldiek) Breë streep op 'n wapenskild wat van regs bo na links onder loop.
Uit Ndl. baar (Mnl. bare in bet. 1, 1672 in bet. 3).
Ndl. baar uit Fr. barre 'balk, staaf'.
D. Barren (18de eeu in bet. 1), Eng. bar (1595 in bet. 1).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bare, zn. v.: oud kinderspel, tikkertjesspel. Het spel wordt al vermeld door Kiliaan: baere, baeren-spel ‘gymnas, ludus gymnicus, exercitium gymnasticum, palaestra, certamen currendi’. Loopspel waarbij oorspr. tot aan een bare ‘ijzeren reling, sluitboom’ gelopen werd. Mnl. bare < Fr. barre < volkslat. barra < Gall. barro ‘uiteinde, hoogtepunt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baar staaf metaal 1717 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal