Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baar - (golf)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baar 2 zn. ‘golf’
Mnl. bare ‘golf’ [1240; Bern.]; vnnl. baere, waterbaere ‘golf’ [1599; Kil.].
Herkomst niet zeker, maar wellicht behoort dit woord bij het werkwoord → baren. Het zou dan via de betekenis ‘opheffen’ identiek zijn met → baar 1 ‘draagtoestel’.
Mnd. bare ‘golf’; nfri. baar; me. bare; on. bára (nijsl. bára); < pgm. *bērō-.
Lit.: M. Philippa (1993) ‘Bar, baar, draagbaar’, in: OT 62, 84

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baar1* [golf] {bare [hoog water, hoge golf] 1201-1250} middelnederduits bare, oudnoors bára, verwant met baren1 [dragen, opheffen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baar 2 znw. v., ‘golf’, mnl. bāre, mnd. bāre, on. bāra ‘golf’ ook ‘oneffen oppervlak’. Het woord betekent eigenlijk ‘de dragende’ (IEW 131) en behoort dus eveneens tot de groep van baren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baar II (golf), mnl. bâre v. = meng. bâre, mnd. bâre, on. bâra v. “golf”. Wellicht evenals baar I bij ƀer- “dragen, opheffen”. Of bij on. berja “slaan” (zie de verwanten hiervan bij baron, boren).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baar 1 v. (golf), Mnl. bare + Ags. bære (Meng. bare). On. bara (De. baare), komt elders niet voor; misschien = de zich opheffende, van *beren (z. baar 3).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2baar s.nw.
Groot golf, brander.
Uit Ndl. baar (Mnl. bare), wat mntl. verband hou met Ndl. baren 'dra, ophef'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

baar I: “brander, groot golf”; Ndl. baar (by Kil baere = water= baere), hou wsk. verb. m. Ndl. baren (Germ. beran, “dra; lewe gee aan”).

baar III: – borrie – , “draagwerktuig v. lykkis” (vgl. draagbaar, lykbaar); Ndl. baar (ouer ook berrie, Mnl. bare en dial. borrie/burrie), hou verb. m. Eng. bier en (wheel)barrow, Hd. bahre en v. baar I en II.

baar IV: “metaalstaaf”; Ndl. baar (Mnl. bare, “staaf; sluitboom”), soos Eng. bar, “staaf; sluitboom; regbank”, en Hd. barre uit Fr. barre (It., Sp. en Ll. barra), ander verb. onseker.

baar VI: “onervare, ongeleerd, rou”; via Ndl. baar (reeds by vRieb as orenbare en by Wins as oorinbaar) uit Mal. beharoe (vgl. verbg. orang, “mens”, beharoe, “nuut/nuwe”, datang, “aankom/aangekom”, toeg. op “iemand wat die eerste keer na die Ooste (dus as nuweling) gekom het”; later aan die Kaap ook op “pas aangekoopte slawe”; in Ndl. nog as subst., in Afr. as adj., veroud. vorm baarsch nog by Cha, vgl. oorlam(s) wat met of sonder slot-s voorkom, in lg. geval as s.nw.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baar ‘golf’ -> Negerhollands baeren ‘golven van de zee’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baar* golf 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal