Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baai - (weefsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

baai 2 zn. ‘grove wollen stof’
Vnnl. baeykijn ‘baaien kledingstuk’ [1520; MNHWS], baeykin “Cotelle” (=‘kledingstuk van vrouwen’) [1546; Naembouck], een baeyken ‘soort kledingstuk’ [1555; Luython], baey ‘grove, ruw gevlochten lap’ [1588; Kil.]; nu nog West-Vlaams voor ‘trui’: “wollen stof, doch tevens gebr. voor borst-rok” [1865-70; Schuermans], ‘wollen kamizool’ [1892; Bo] en “van daar ook het spreekwoord: op zijnen baai krijgen, voor geslagen worden (Kortrijk)” (Schuermans 1865-70) (maar zie → baadje).
Ontleend aan Frans baie [1570], mogelijk afgeleid van het Oudfranse bn. bai ‘bruinrood’, dat via middeleeuws Latijn bag(i)us teruggaat op Latijn badius ‘kastanjebruin’. Deze ontleningslijn is te verklaren uit de bruinrode kleur van het weefsel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baai1 [weefsel] {1619, vgl. baeisch laken 1530} < frans baie [roodbruin (van paarden)] < latijn badius [bruin], verwant met oudiers buide [geel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baai 1 znw. o. m., ‘wollen stof’, vgl. mnl. baeysch laken, naast mnd. baie, ne. bay, baize < ofra. baie, nu nog waals en pikard., wordt gewoonlijk afgeleid van fra. bai ‘roodbruin’ < lat. badius, vgl. ook ofra. baiet, baiard ‘naam voor paarden’, opikard. bayette ‘donkere stof’.

Uit het nl. is waarsch. russisch bájka ontleend (R. v. d. Meulen Ts. 28, 1909, 207-8). — > nhd. bai (sedert de 17de eeuw, vgl. Kluge, Seemannssprache 1911, 59)

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baai I (wollen stof), mnl. reeds baeysch lāken o. Wsch. heeft toen ook *baye wel bestaan. Evenals mnd. baie “baai”, eng. bay, baize (ospr. mv.) uit ofr. baie (fr. boie). Of dit van bai (< lat. badius) “bruinrood” komt, is onzeker. Jongere ontll. (uit het Ndl. Ndd. Fr.) zijn hd. boi m., de. bai, zw. boj.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baai 3 v. (stof), Mnl. baey, gelijk Eng. baize (eigenlijk bay-s) en Hgd. boi, uit Ofra. baie, wellicht hetzelfde woord als baai 2 om de kleur.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

baoj wollen stof; Nuinederlands baey <1588> < Frans baie.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

baai, zn.: wollen stof. Bijv. nen hemdrok van roon baai. Ook Waaslands voor ‘lijfrok, borstrok (voor vrouwen)’, Wvl. ‘trui’. Vnnl. baey ‘grove, ruw geweven lap’ (Kiliaan). Naar de kleurnaam, Fr. baie ‘roodbruin’ < Mlat. bagius < Lat. badius ‘kastanjebruin’. Vandaar zo rood als baai en de paardennaam baai ‘roodbruin paard’ of baai ‘rode wijn’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2baai s.nw.
Growwe, dik, eenkleurige wolstof vir o.a. tafeldoeke en gordyne.
Uit Ndl. baai (1619).
Ndl. baai mntl. uit Fr. baie 'rooibruin', met lg. mntl. uit Latyn badius 'bruin'.
D. Boi, Eng. baize (1578), bay (1581).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

baai I: “inham v. d. see”; Ndl. baai (ouer vorme baey/bay(e) e.a.) ontln. aan ’n Rom. taal, Fr. baie, It. baja, Port. en Sp. bahia wu. Eng. bay, terwyl Hd. bai wsk. uit Ndl. of Ned.

baai III: “tekstielstof v. wol”; Ndl. baai (Mnl. reeds adj. baeysch), nes Eng. bay/baize uit Ofr. baie (Fr. boie); v. ook lepaai.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Baai, grove op flanel gelijkende stof; nog niet in ’t mnl.; uit fra. baie, waarschijnl. zoo genoemd om haar oorspronk. bruinroode kleur, fra. bat, lat. badius, roodbruin. In Z.-Ned. voor borstrok van baai; verg. flanel (fl. onderkleedingstuk), katoentje (k. japon), zijden (z. hoed, hooge hoed) enz.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Baai (wollen stof) van ’t Fr. bai en dit van ’t Lat. badius = kastanjebruin, daar de stof gewoonlijk roodbruin gekleurd was.
’t Woord baai als zeeboezem is wellicht aan ’t Fr. baie of ’t Spaansche bahia ontleend, maar is niet verder na te gaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baai ‘weefsel’ -> Engels † bay ‘grove wollen stof’ (uit Nederlands of Frans);? Duits dialect Boi ‘dik flanel’; Deens baj ‘weefsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors boi (bai, boy) ‘soort grove, losgeweven, wollen stof’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools baja, bajka ‘wollen stof; ruige wollen jas’; Russisch bájka ‘wollen stof; ruige wollen jas’; Oekraïens bájka ‘wollen stof; ruige wollen jas’ <via Russisch>; Wit-Russisch bájka ‘wollen stof, ruige wollen jas’ <via Russisch>; Lets baika ‘zachte, losgeweven, wollen stof’ <via Pools>; Litouws bajus ‘soort grove, losgeweven, wollen of katoenen stof’ <via Pools>; Indonesisch baai ‘weefsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baai weefsel 1619 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal