Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

b - (de letter)

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1. Geen a voor een b kennen.

Dit is eigenlijk: geen a van een b kunnen onderscheiden, dus het abc niet kennen, overdrachtelijk: niets geleerd hebben, zeer onwetend zijn; ook wel: zeer dom zijn. De uitdrukking komt voor bij Servilius, 112: Hi en can niet een A voor een B, en bij Sartorius II, 7, 2: hy kent niet een A voor een B, ter vertaling van ne Aesopum quidem trivit: de vehementer stupidis et imperitis. Antiquitus enim Aesopi fabellas etiam vulgus idiotarum tenebat. Has igitur qui non legisset, nihil scire videbatur. Zie ook Brederoo, Sp. Brab. 1352: Ick ken niet een A voor een B; Sewel, 1: geen A voor een B kennen, to be very ignorant, very dull; Harreb. I, 1; Waasch Idiot: 39: geen a voor (of uit) b kennen of kunnen, geen a voor een b geleerd zijn; ook Antw. Idiot. 95; De Bo, 2 a: geene A voor eene B kennen, niet eene A van eene B weten; Teirl. 1: geen A uit (of veur)'n B kennen naast geen A kennen zoo groot as 'n schuurdeur, zeer dom zijn; fr. ne savoir ni A ni B; hd. weder A noch B wissen; nd. he kann gên a of b (Wander V, 685); eng. not to know A from B; not to know a B from a bull's foot, from a broomstick, from a battle-dore; fri: hy kin nin A foar in Bie. In 't Joodsch: geen ollef van (of voor) een beis kennen; geen aleph van een beth kennen.

3. Wie a zegt, moet ook b zeggen,

d.i. men moet voortgaan gelijk men begonnen is; of ook: na de eerste schrede kan men niet meer stilstaan; fr. qui a dit a doit dire b; hd. wer A sagt musz auch B sagen; nd. wäa A säght, mütt ok B seggen; wenn ik A segg, so mutt ik B seggen; eng. you cannot say A without saying B; fri. dy 't A seit, moat ek Bie sizze. Volgens Günther, 94 zou deze zegswijze aan het rechtswezen ontleend zijn‘Da nämlich nach der Rechtsterminologie des Mittelalters die Antwort des Beklagten, namentlich die verneinende, das Besagen hiesz (niederd. besaken oder versaken, später in versagen entstellt), so mag wohl der Volkswitz die Rechtsregel, jeder Angeklagte müsse im Falle der Widerklage demselben Gericht als Antworter besagen, mit einem Wortspiele dahin gefaszt haben: Wer A sagt (eigentlich: ansagt, anspricht), musz auch B sagen, d.h. besagen’. Zie ook Graf und Dietherr, Rechtssprichwörter, bl. 440..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal