Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

avegaar - (grote boor)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

avegaar zn. ‘grote boor’
Mnl. naueghers [1282; CG I, 663], Naveghere (als bijnaam) [1302; MNW], naveghere [ca. 1375; MNW], effengyer [1477; Teuth.], avegaer [1480; MNW]; vnnl. auegheer [1562; Naembouck]; nnl. avegaar [ca. 1700; WNT].
Oudgermaanse samenstelling uit een eerste lid dat correspondeert met → naaf en een woord met als betekenis ‘speer, boor’ en dus met oorspr. betekenis ‘priem om naven te boren’. Dit tweede lid, uit Proto-Germaans *gaiza- ‘speer, stang’, is nog te herkennen in elger ‘vork om aal te steken’ en is hetzelfde woord als → geer. Het komt ook voor in oude Germaanse namen zoals bijv. Gerbrand en Rutger. Door verkeerde woordscheiding van 'n navegheer (met onbepaald lidwoord) kon in de spreektaal avegheer ontstaan, zie ook → arrenslee.
Ook in de andere Germaanse talen bestond deze samenstelling, met dezelfde betekenis: os. nabugēr, navugēr; ohd. nabagēr, nabugēr (nhd. dial. Naber, Näber); oe. nafogār (me. navger, nawger, ne. auger); on. nafarr; samengesteld uit pgm. *nabō- ‘wielnaaf’ en *gaiza- ‘speer, stang’. Dat het een oud woord is, blijkt uit de overname in het Fins als napakaira ‘grote boor’.

EWN: avegaar zn. 'grote boor'; de vorm avegaar (1477)
ANTEDATERING: Neemt eenen avegheer oft een groot spikelboor [1426-60; iMNW spikerboor]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

agger2* [boor] {ageer [werpspies] 1401-1450} samengetrokken uit avegaar.

avegaar* [grote boor] {navegeer 1300, effengyer 1477} de oorspr. begin n is op den duur weggevallen, vgl. oudhoogduits nabagēr, nabugēr, oudengels nafugār, oudnoors nafarr [boor]; het is een samenstelling van naaf en een woord met de betekenis van ‘speer’ (vgl. elger), dus een scherp gepunte stok om een naaf uit te hollen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

avegaar znw. m., ontstaan uit navegaar (vgl. aak), mnl. navegheer, navegher, naast avegheer, in het holl. navegaer. Het woord betekent eig. ‘priem om naven te boren’; het is gevormd uit naaf en germ. *gaiza (waarvoor zie: elger), vgl. os. naƀugēr, ohd. nabagēr, nabugēr (nhd. dial. naber, näher), oe. nafugār (ne. auger), on. nafarr m. ‘boor’. Reeds een oud woord blijkens de overname in het fins als napakaira.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

avegaar znw., uit navegaar (vgl. aak I). Mnl. nāvegheer, nāvegher, ook reeds āvegheer en in holl. teksten nāvegaer m. De vorm op -aar is holl.-fri. Dial. (zaansch) komt auwәgәr, aukәr voor = mnl. (n)āvegher. Een oud-germ. samenst. van *naƀô- (zie naaf) en *ʒaiza- (zie elger), dus oorspr. “priem om naven te boren” en dan “groote boor”. = ohd. nabagêr, nabugêr m. (nhd. dial. naber, näber), os. naƀugêr, ags. nafugâr (eng. auger), on. nafarr m. “boor”. Uit het Germ. finsch napakaira “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

avegaar, agger m. (de vorm agger is een samentr.) door aphaerese uit navegaar (z.d.w.).

navegaar v., Mnl. navegeer, Os. naƀugêr + Ohd. nabagêr (Mhd. nebgêr, Nhd. naber), Ags. nafugár (Eng. auger), On. nafarr (Zw. nafvare, De. naver): vergel. avegaar en z. naaf en geer 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

egger, ever, zn.: grote schroefboor, lepelboor. Vnnl. aggher, eggher ‘boor’ (Kiliaan). E. auger. Door v-syncope uit Vnnl. avegheer (Lambrecht), door metanalyse uit navegeer ‘avegaar’, dial. evegeer. Os. nabugêr, Oe. nafugâr. Samenst. van nave ‘naaf’ en geer ‘speer (d.i. puntige staaf om de naaf uit te hollen)’ < Germ. gaiza ‘speer’.

never, zn.: avegaar. Samentrekking van nevegeer, navegeer ‘avegaar’. Zie ook egger.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

agger, egger, erger, elger, effer, efter, neffer, zn.: grote schroefboor, lepelboor. Vnnl. aggher, eggher ‘boor’ (Kiliaan). 1776 effer ‘grote boor’, Meierij (Heeroma). E. auger. Door v-syncope uit Vnnl. avegheer (Lambrecht), door metanalyse uit navegeer ‘avegaar’, dial. evegeer. Os. nabugêr, Oe. nafugâr. Samenst. van nave ‘naaf’ en geer ‘speer (d.i. puntige staaf om de naaf uit te hollen)’ < Germ. gaiza ‘speer’. Erger/elger met r/l-epenthesis uit egger; effer door g/f-wisseling, neffer door metanalyse. Samenst. domagger, domegger, mansagger, mansegger ‘boor voor mansklompen’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

navelgeer, navelgaarde zn. : grote boor, dwarskruk, navegaar. Ndl. avegaar is door metanalyse ontstaan uit oorspr. Mnl. navegheer, samengesteld uit naaf en geer < Germ. *gaiza- ‘speer’ (zie gere). Navelgeer door associatie met navel en navelgaarde door associatie met ga(a)rde.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

navegeer(t) (G), navelgeer(t) (G, H), avegeer (G, H, noord, ZV), avegaar (G, west, ZV), avelgeer(t) (Wachtebeke, ZV), alvegeer(t) (Knesselare, Merendree), alvegaar (Watervliet), avergeer (L), avekeer (Hansbeke, Meigem, Ouwegem), avelkeer (Ouwegem), evegeer(t) (Dd, ZO), evegaar (Hofstade), evergeer(t) (Overboelare, Sint-Kornelis-Horebeke), euvegeer (W), uivegeer (W), overkeer (D, Zingem), zn. m.: navegaar, avegaar, grote houtboor. Mnl. navegeer, avegaer, 1320 van .i. naveghere, Oudenaarde (Hoebeke 1968), Vnnl. avegheer 'tarriere, tarault ou tarelle' (Lambrecht), nevigher, nevegher 'boor' (Kiliaan). Os. nabugêr, Ohd. nabagêr, Mhd. nabegêr, Oe. nafugâr. Samenst. van Mnl. nave 'naaf' en geer 'speer (d.i. een puntige staaf om de naaf uit te hollen)' < Germ. gaiza 'speer'. De vormen zonder n door metanalyse. Talrijke varianten door volksetymologie (over < ave, keer < geer), paragoge (geert < geer), epenthesis (avel-, aver- < ave), metathesis (alve < avel, ook wel volksetymologisch).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

navegeer, navegeel (DB: V), avegeer (V), avelgeer (WVD: Bredene), avegere (B), avergeer (WVD: FV, WV), aveweer (WVD: Zandvoorde O), alvergeel (WVD: Pollinkhove), alvergeer (WVD: Stavele), zn. m.: navegaar, avegaar, grote houtboor. Mnl. navegeer, avegaer, Vroegnnl. avegheer ‘tarriere, tarault ou tarelle’ (Lambrecht). Os. nabugêr, Ohd. nabagêr, Mhd. nabegêr, Oe. nafugâr. Samenst. van Mnl. nave ‘naaf’ en geer ‘speer (d.i. een puntige staaf om de naaf uit te hollen)’ < Germ, gaiza ‘speer’. De vorm avegeer door metanalyse.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Avegaar, voor navegaar (evenals aak voor naak, hgd. Nachen; adder voor nadder, mnl. nadre, hgd. Natter; arreslede voor narreslede; in Zeeland noom voor oom; zoo leest men in een oude klucht “sijn Egosy” en hoort men bij ’t volk: “’t is nog al ogisch”); mnl. navegaer, neveger, neffiger, naveger, avegaer, egger enz.; samenstelling uit naaf en geer = speer, puntig ijzer, met de bet. groote boor om gaten in naven te boren. Geer, tot ger verkort, vindt men ook in aalger of elger, ijzeren vork om aal te steken. Geer is o.a. in het naaistervak bekend als schuin stuk en is nog te vinden in ’t ww. geeren, schuin loopen (“dat huis geert”), ook gieren uitgespoken. De a in de laatste lettergr. van avegaar is door Frieschen invloed ontstaan. Men vindt nog vele vormen als aafger, egger, negger.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

avegaar, navegaar, egger ‘grote boor’ -> Schots aeger ‘grondboor’; Frans dialect † tarere navegher ‘grote boor’; Russisch † avegars ‘grote boor’; Singalees avagāra-ya ‘grote boor’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

avegaar* grote boor 1404 [Toll.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(enebh-1), embh-, ombh-, nō̆bh- (nēbh-?), m̥bh- ‘Nabel’, mehrfach mit l-Formantien.

Ai. nábhya- n. ‘Nabe’, nā́bhi- f. ‘Nabel, Nabe, Verwandtschaft’, nābhīla- n. (unbelegt) ‘Schamgegend, Nabelvertiefung’; av. nabā-nazdišta- ‘der verwandtschaftlich nächststehende’, daneben mit ar. ph: av. nāfō, npers. nāf ‘Nabel’;
gr. ὀμφαλός (Nom. Pl. auch ὄμφαλες) ‘Nabel, Schildbuckel’, wohl auch ὄμφακες ‘die unreifen Weinbeeren oder Oliven oder andere Früchte’ (als nabelartig vorgestülpte Knöpfchen), ὀμφακίς ‘der Kelch der Eichel’;
lat. umbilīcus ‘Nabel’, umbō, -ōnis ‘Schildbuckel’;
air. imbliu ‘Nabel’ (*embilōn-), mir. imlecan ds. (ein Versuch zur Suffixerklärung bei Pedersen KG. I 495);
ahd. naba, ags. nafu, aisl. nǫf ‘Radnabe’ (auch in ahd. naba-gēr, ags. nafu-gār, aisl. nafarr ‘grober Bohrer’), ahd. nabalo, ags. nafela, aisl. nafli ‘Nabel’; dazu nach Lidén KZ. 61, 17 ahd. amban, ambon, m. (o-St.) ‘Wanst’, as. ámbón ‘abdomina’, Nom. Akk. Pl. eines m. on-St. (germ. *amban-, idg. *ombhon-);
apr. nabis ‘Nabe, Nabel’, lett. naba ‘Nabel’.
Vielleicht hierher ags. umbor ‘kleines Kind’, auch der ital. VN Umbri (*m̥bh-), anderer Ablaut im germ. VN Ambrones (*ombh-) anders Kretschmer Gl. 21, 116 f.

WP. I 130, EM 1122, Specht Dekl. 100.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal