Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

automobiel - (motorrijtuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

auto zn. ‘motorrijtuig’
Nnl. automobiles (mv.) [1897; WNT Supp.], automobiel [1898; WNT]. Eerder al als bn. automobiel ‘zichzelf in beweging brengende’ [1886; Kramers]. Ook al vroeg de huidige vorm auto [1899; WNT].
Het woord auto wordt algemeen geïnterpreteerd als verkorting van automobiel; beide zijn echter ontleend aan het Frans. Frans automobile ‘zichzelf voortbewegend’ [1861; Rey] is een bn. en werd pas zelfstandig gebruikt als verkorting van voiture automobile, letterlijk ‘zichzelf voortbewegend voertuig’ [1876; Rey]. Het is gevormd uit het voorvoegsel → auto- ‘zelf-’ en het bn. mobile ‘beweegbaar’ (zie → mobiel 1). De verkorte Franse vorm auto [1896; Rey] raakte ook in het Nederlands al heel snel ingeburgerd.
In 1886 bouwden Benz in Mannheim en Daimler in Cannstatt een bruikbare benzineauto. Voornamelijk in Frankrijk kreeg de nieuwe vinding veel steun. In de Nederlandse woordenschat is dat vooral te merken aan de ontleningen van namen van auto-onderdelen, bijv.carburateur, → carrosserie, → carter, → radiateur. Opvallend is dat in Frankrijk het woord auto zelf ten onder is gegaan in de concurrentie met het oudere voiture, dat deze betekenis draagt vanaf 1893 [Rey]. Het Nederlandse equivalent van voiture, → wagen 1, is in het BN als purisme niet ongewoon; in de meeste Belgische dialecten wordt echter net als in het Nederlands gesproken van auto.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

automobiel [motorrijtuig] {1896, in de betekenis ‘zichzelf bewegend’; de huidige betekenis 1897} < frans automobile, gevormd van grieks autos [zelf] + latijn mobilis, o. mobile [beweegbaar], van movēre [in beweging brengen], lett. dus: zichzelf voortbewegend.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

automobiel (van Grieks auto- + Latijn mobilis)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

automobiel ‘motorrijtuig, auto’ -> Indonesisch automobil, otomobil, mobil ‘motorrijtuig, auto’; Jakartaans-Maleis móbil, mubil ‘motorrijtuig, auto’; Madoerees mobil ‘motorrijtuig, auto’; Soendanees mobil ‘motorrijtuig, auto’; Surinaams-Javaans mobil ‘motorrijtuig, auto’ <via Indonesisch/Maleis>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

automobiel zichzelf bewegend 1896 [WNT] <Frans

automobiel motorrijtuig 1897 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal