Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

auto- - (zelf-)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

auto- voorv. ‘zelf-’
Eerst alleen in Griekse en Latijnse leenwoorden, bijv.autograaf, → automaat, → autonoom; later vooral in neologismen, niet noodzakelijkerwijs maar meestal toch ook met een Griekse tweede lid: autoclaaf ‘zichzelf sluitende pot’ (als autoclave [1832; WNT Supp.]), autodidakt [1850; WNT Supp.].
Internationaal wetenschappelijk voorvoegsel, gebaseerd op Grieks autós ‘zelf’.
Woorden met het voorvoegsel auto- zijn op slechts enkele uitzonderingen na wetenschappelijke begrippen en dus bedachte woorden. In de moderne taal zijn woorden met auto- meestal samenstellingen met → auto als verkorting van automobiel. Zo is een auto-alarm, oorspr. nog een ‘toestel voor de automatische ontvangst van alarmseinen’ [1946; WNT Supp.] is nu eerder een ‘alarminstallatie in een auto (tegen autodiefstal)’ [1992; Dale].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

auto- [voorvoegsel met de betekenis ‘zelf’] {in bv. autographum [autograaf] 1552, autocratie 1799} < grieks autos [zelf].

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

auto- (Grieks auto-)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Auto- (Lat.; = Gr. αὐτο- (auto-) = zelf, van zelf, uit zichzelf; αὐτός (autós) = zelf, in eigen persoon). Eerste lid in samenstellingen met de genoemde betekenissen; b.v. autocollimatie (→ collimatie).

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Auto (< Gr. αὐτός = zelf). Komt voor in verschillende samenstellingen:

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Auto.... (Gr. autos = zelf). Tal van vreemde woorden beginnen met auto, een Gr. woord, dat zelf, eigen beteekent; bijv.: autodidact (Gr. autos = zelf, didaskein = leeren, dus zelfgeleerde), d. w. z. iemand die zich zelf geleerd heeft door eigen inspanning, zonder hulp van een hoogeschool, enz.; autograph (Gr. autos = zelf, graphein = schrijven, dus zelfschrift) = de handteekening van een beroemd persoon; sommige menschen verzamelen zulke autografen; autocraat (zelfheerscher; Gr. autos = zelf, kratein = heerschen, dus die zelf, alleen heerscht); automaat (maomai = bewegen, dus zelfbeweger) = een werktuig, dat zich zelf in werking stelt, bijv. een postzegel-automaat; ook heet automaat een nagemaakt mensch of dier, dat zich zelf beweegt; automobile = zelfbeweger.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal