Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

atoom - (kleinste deelje van een scheikundig element)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

atoom zn. ‘kleinste deelje van een scheikundig element’
Vnnl. atome “ondeelbaar stófken, veezelken” [1669; Meijer]; nnl. atome “de oorspronkelijke of grondstof” [1824; Weiland], atoom, atome ‘deeltje’ [1863; Kramers]. Eerder alleen als kunstwoord bij Meijer atomus [1654].
Via Frans atome [14e eeuw; Rey] ontleend aan Latijn atomus ‘ondeelbaar klein lichaam’ < Grieks átomos ‘id.’, substantivering van het gelijkvormige bn., dat met het voorvoegsel → a- ‘niet-, on-’ is gevormd bij het werkwoord témnein ‘snijden’, zie → tonsuur.
De atoomleer gaat terug op een theorie van de Griekse filosoof Leucippus (ca. 450 voor Chr.) en zijn leerling Democritus (ca. 460-357 voor Chr.). In de huidige wetenschappelijke betekenis als ‘kleinste deeltje van een scheikundig element’ is het woord voor het eerst gebruikt in 1805 door de Britse scheikundige John Dalton.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

atoom [kleinste deeltje] {atome [ondeelbaar stofje, vezeltje] 1669} < latijn atomus [iets ondeelbaars, atoom] < grieks atomos [niet meer snijdbaar], van a- [on-] + temnein [snijden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

atoom znw. o. < lat. atomus < gr. átomos, betekent eig. ‘het ongedeelde’, en werd gebruikt voor het chemische element, dat als niet deelbaar werd aangezien; afgeleid van gr. témnō ‘ik snijd’, tomḗ ‘snede’ van een in het germ. niet bewaarde idg. wt. *tem ‘snijden’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

atoom s.nw.
1. Kleinste deeltjie van 'n chemiese element wat selfstandig of in verbinding met ander atome kan bestaan. 2. (fig.) Iets wat baie klein of nietig is.
Uit Ndl. atoom (1669, 1654 in die vorm atomus).
Ndl. atoom uit Latyn atomus 'iets ondeelbaars' uit Grieks atomos 'ongedeelde' (gebruik vir die chemiese elemente wat beskou is as nie-deelbaar), gevorm van a- 'on-' en temnein 'sny', met lg. van temno 'ek sny' van tome 'sny'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

atoom (Latijn atomus)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Atoom (Gr. ἄτομος (átomos) = ondeelbaar; < → a-, + τέμνειν (témnein) = snijden, delen; ἄτομον (átomon) = als subst. gebruikt neutr. ν. ἄτομος = het ondeelbare; ondeelbaar lichaam, atoom; dezelfde betekenis heeft ook ἄτομος gekregen). Begrip en woord in deze betekenis werden ingevoerd door de Griekse wijsgeren Leucippus en Democritus in de 5e eeuw vóór Chr. Volgens hen was de stof opgebouwd uit kleinste deeltjes, die zelf als ondeelbaar werden beschouwd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

atoom ‘kleinste deeltje’ -> Indonesisch atom ‘kleinste deeltje; iets buitengewoons, ultramoderns’; Boeginees atong ‘kleinste deeltje’; Madoerees atōm ‘kleinste deeltje’ (uit Nederlands of Engels); Menadonees atom ‘kleinste deeltje’; Papiaments atom ‘kleinste deeltje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

atoom kleinste deeltje 1826 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal