Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

astronomie - (sterrenkunde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

astronomie zn. ‘sterrenkunde’
Mnl. astronomie ‘sterrenkunde’ [1285; CG II, Rijmb.], astronomien ‘sterrenwichelarij, toverkunst’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. astronomije ‘sterrenkunde’ [1589].
Ontleend aan Latijn astronomia < Grieks astronomíā, een afleiding van het zn. astronómos ‘sterrenkundige’, uit ástron ‘ster’ (zie → ster) en -nómos, nomen agentis bij het werkwoord némein ‘ordenen, groeperen’, zie → -nomie.
Astronómos en astronomíā zijn jongere vormen dan het oorspr. bijna gelijkbetekenende astrológos of astrologíā. Zie de discussie bij → astrologie voor de evolutie van beide begrippen.
astronoom zn. ‘beoefenaar van de astronomie’. Vnnl. astronomijn [1538; WNT Supp. astronomijn], de Latijnse vorm astronomus [1618; WNT Supp. astronomijn], en astronomist [1623; WNT Supp. astronomist]; pas in de 19e eeuw astronoom [1864; WNT Supp.]. De jonge vorm zonder achtervoegsel is misschien ontstaan onder invloed van Duits Astrologe.

EWN: ♦ astronoom zn. 'beoefenaar van de astronomie' (1538)
ANTEDATERING: mnl. eerst astronomien 'sterrenwichelaar' [1300-25; MNW-R]
Later: een zeer bekwaam Astronoom [1794; Monarchiën 4, 52] (EWN: 1864)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

astronomie [sterrenkunde] {1285 in de betekenis ‘sterrenkunde, toverkunst’} < latijn astronomia < grieks astronomia [idem], van astronomos [sterrenkundige, astronoom], van astron, astèr [ster] + nomos [wet] (vgl. -nomie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

astronomie s.nw.
Die wetenskap wat hom besighou met die bestudering van son, maan, sterre en ander hemelliggame.
Uit Ndl. astronomie (al Mnl., ook in die bet. 'sterrewiggelary, towerkuns').
Ndl. astronomie uit Latyn astronomia uit Grieks astronomia, met lg. van astronomos 'sterrekundige, sterrerangskikker', gevorm van astron, aster 'ster' en nomos 'wet', met lg. van nemein 'plaas, rangskik'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

astronomie (Latijn astronomia)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Astronomie (= Lat. astronómia; = Gr. ἀστρονομία (astronomia); < → astro-, + νόμος (nomos) = wet; bet. kennis van de wetten der sterren). Sterrenkunde.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

astronomie sterrenkunde 1285 [CG Rijmb.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal