Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

asmodee - (een naam van de duivel)

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

asjmedei [asj’medei], aschmedaj, Asjmedaï, asjmedij, Asmodai: duivel; deugniet, dondersteen, kwajongen | < Jidd. asjmedai: duivel < Hebr. Asjmedaj (geassocieerd met het werkwoord ‘sjomad’/`sjamad’: vervolgen, verderven) < Avestisch (oud-Perzisch) Aesjma Daeva (‘boze demon’). Zie ook ratsmodee.
In het (apocrieve) boek Tobit (Tobias) is het een boze geest die zeven mannen na elkaar doodt, zodra zij met Sara trouwen (Tobit 3:8). Tobias leert van de aartsengel Rafaël, hoe hij de boze geest kan uitdrijven (Tob.6), waarna hij Sara tot vrouw krijgt. In het joodse volksgeloof was Asjmedai koning der demonen en verstoorder van het huwelijksgeluk.

— “Wat maak jij je de sappel! Laat ‘m zegge... Laat ̕ m zégge... Heb jij met ̕ m te make?... Heb ik met ̕ m te make?... Laat ̕ lope naar de asjmedij...” (HERMAN HEIJERMANS, 1897)
— “Kom hier dan, hier, zó op m’n arm, ja, nou bin je blij,
kleine asjmedei...” (M. DE HOND, 1926)
— Maar Hereira’s barbaarse kinderen, spotters en godschimpende jongens, bijwijlen de asjmedaï te erg, mochten van dit stil-brandend heimwee, zijn “benevelingen”, - geen snars weten, zolang het deksel nog niet op zijn kist gespijkerd stond. (IS. QUERIDO, 1931)
— Het vrouwtje bleef in de houding van coquette speelzucht: - En als ik weiger die gulden meer te betalen? - Dan zal ik de asjmedei, die zit in u, laat opkomen en zich verenig met de geest tot de jitzerorre en Wim zal weet! De vrouw schrok. (S. DE VRIES JR, 1947)
— Je glijdt makkelijker af op de baan naar de Asmodai. (SIEGFRIED E. VAN PRAAG, 1976)

J. Meijer (1984), Tolk van 't olle volk: Joods supplement op het Nieuw Groninger woordenboek van K. ter Laan, Scheemda

asjmedei Asjmodai, Asmodee, een boze demon. Commentaar en lit. in BJ 17. De drie betekenissen en hun gevoelswaarde bij VP 84. Ik nuanceer naar ons dialect: 1. Doe bist mie ook ‚’n asjmedei (dondersteen); 2. Loop noar de asjmedei; 3. Doar hevve nooit meer wat van heurd, dij is zeker noar de asjmedei tou = spoorloos verdwenen. Beem noemt de vorm rasjmedei, door metalyse uit “der asjmedei” ontstaan, en zó herinner ik het me uit de mond van mijn moeder.

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

asjmedaj eigenl. de koning der boze geesten, duivel, Asmodée; in het ndl. jidd. ook kwajongen, deugniet; laaf nooch der asjmedaj = loop naar de duivel; ook vergoelijkend als ndl. boefje.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal