Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

asfalt - (bitumen, wegbedekking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

asfalt zn. ‘bitumen, wegbedekking’
Vnnl. Aspalten ‘aardpek, aardhars, bitumen (als ingrediënt bij verfbereiding)’ [1604; WNT Supp.], asphalt ‘id.’ [1671; WNT Supp.]; nnl. asphalt ‘wegbedekking’ [1852; WNT Supp.].
Ontleend aan Frans asphalte < Latijn asphaltus < Grieks ásphaltos ‘niet te vernietigen, niet omver te werpen’. De herkomst van dit Griekse woord is niet zeker; wrsch. is het gevormd uit het negatie-voorvoegsel → a- en het werkwoord sphállein ‘omverwerpen’, en werd het aanvankelijk toegepast op met asfalt bewerkte stads- en vestingmuren. Sommigen gaan er echter van uit dat dit op pseudo-etymologie berust en dat het om een niet-Indo-Europees leenwoord gaat. De stof kwam o.a. voor in de Dode Zee: het Asphaltische of Dood Meir in Judaea [1786-93; WNT]; deze zee werd in de Oudheid onder meer Asphaltítis límnē ‘asfaltzee’ genoemd.

EWN: asfalt zn. 'bitumen, wegbedekking' (1604)
ANTEDATERING: mnl. eerst Aspaltus die lake 'de Dode Zee (letterlijk "de asfaltzee")' [1315-35; MNW-R]
Later: de reuk van asphalt [1665; Herodotus, 341] (EWN: 1671)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

asfalt [mineraal hars] {1604 in de betekenis ‘delfstof’; de huidige betekenis 1852} < frans asphalte < latijn asphaltus < grieks asphaltos, van a- [on-, niet] + sphallein [doen wankelen, doen vallen]; het werd in de Oudheid gebruikt als verstevigingsmiddel voor muren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

asfalt znw. o., over fra. asphalte < lat. asphaltos < gr. asphaltós. De klassieke volken leerden deze stof het eerst aan de Dode Zee kennen, die daarom in de oudheid Asphalitis genoemd werd.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

asfalt (Frans asphalte)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

asfalt ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’ -> Indonesisch asfal, aspal ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’; Jakartaans-Maleis aspal ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’; Javaans aspal ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’; Madoerees aspal ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’; Makassaars âsapalá ‘asfaltweg’; Menadonees aspal ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’; Minangkabaus aspal ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’; Muna asipalu ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’; Papiaments asfalt ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen’; Surinaams-Javaans aspal, asfal ‘mineraal hars, gebruikt voor de vervaardiging van wegen; geasfalteerd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

asfalt mineraal hars 1852 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal