Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

artsenij - (geneesmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

arts zn. ‘geneesheer’
Onl. ercetere ‘dokter’ [10e eeuw; W.Ps.], ook in de samenstelling arzatwurze ‘geneeskrachtig kruid’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ersetre ‘geneesheer’ [1240; Bern.], arseter ‘id.’ [1270-90; CG II, Moraalb.], ersetere ‘id.’ [1276-1300; CG II, Kerst.], als toenaam: symoen de arsatere [1283; CG I, 1272], arsete ‘medicus’ [ca. 1450; MNW arsete]; vnnl. arstoft artzet [1573; Thes.], artzet (“Duits”) [1574; Kil.]. Kil. 1599 geeft arste naast artset en artse ‘medicus’.
De verkorting arsetere > arsete kan een gevolg zijn van contaminatie met mnl. artist (met klemtoon op de eerste lettergreep), dat onder meer ‘dokter’ betekende, zie → artiest. Wrsch. speelde daarnaast, bij de veelheid van vormen, Duitse invloed een rol. Duits Arzt verschijnt al in de 9e eeuw als Oudhoogduits arzāt (Middelhoogduits arzat, arset; ook Middelnederduits arste). In enkele bronnen zou de Nederlandse vorm direct aan het Duits kunnen zijn ontleend.
Alle vormen gaan uiteindelijk terug op middeleeuws Latijn arciater < Laatlatijn archiater, -trus < Grieks arkhiātrós ‘opper-dokter’, gevormd uit arkhi- ‘opper-, aarts-’ (zie → aarts-) en iātrós ‘dokter’ (zie → psychiatrie).
De Griekse, Latijnse en middeleeuwse termen werden als titel gebruikt, voor bijv. de hofdokter van de keizer of de koning. Dit in tegenstelling tot de algemene Latijnse beroepsaanduiding → medicus.
artsenij zn. ‘medicijn’. Vnnl. artznye (“Duits”) [1574; Kil.], eerder al mnl. ersatrie [1236; CG I, 20], ersetrie [ca. 1250; MNW arsaterie], arzedie [1250; CG II, Trist.], ersedie [1300; MNW]. Ontleend aan Middelhoogduits arzenie, Oudhoogduits arzātīe ‘geneesmiddel’, bij het werkwoord giarzinōn ‘genezen’. Ook hier lopen Duitse invloeden door ontleningen aan het Latijn heen.

EWN: ♦ artsenij zn. 'medicijn'; de vorm artsenij (en varianten) (1574)
ANTEDATERING: arcenie 'genezing' [1455-65; iMNW]
Later: artzenie 'genezing' [1460-80; iMNW heilsam]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

artsenij [geneesmiddel] {arsenie 1401-1450} < middelhoogduits arzenie (hoogduits Arznei), met achtervoegsel -ie gevormd van arts.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

artsenij znw., laat-mnl. arcenîe v. Uit mhd. arzenîe v. (nhd. arznei), waarnaast ook erzenîe v., een afl. van mhd. erzenen, ohd. erzinen, gi-arzinôn “de geneeskunst toepassen”, dat zelf ontstaan was naar ’t model van ohd. lâhhinôn (= os. lâknon, ags. lâcnian, got. lekinon “id.”) bij lâhhi. Met mhd. arzâtîe v. “artsenij” stemmen overeen mnd. arsedîe (ook arstedîe), mnl. a(e)rsedîe, e(e)rsadîe v. “artsenij”. Dit woord is ontstaan doordat men in *ark'âter -er als uitgang voelde: anders had –îe achter het volledige woord moeten komen. Bevreemdend is de verschillende dentaal in mnl. arsâtre en arsedîe. Wsch. komt ʼt eerste woord van den lat. vorm., het tweede van den rom. (evenzoo ohd. arzât).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

artsenij v., uit Hgd. arznei (z. arts), hetwelk kan afgel. zijn van arzt, maar waarschijnlijker is het, na vergelijking met Mnl. ersetrien, dat arzenei een dissimilatie is voor arzrei en rechtstreeks van *archiatria gevormd is.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

artsenij (Duits Arznei)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Arts (geneesheer) wordt gehouden voor een afl. van ’t M.-Latijnsche archiater, Gr. archiatros (archi = aarts, iatros = geneesheer), den titel van de hofartsen der Frankische koningen. Het woord artsenij is aldus gevormd: Van arts werd een w.w. artsenen = heelen, genezen, gevormd, waarvan men weer door -ij het woord artsenij maakte, oorspr. als geneeskunde: »Ervaeren in artseny« (Vondel) en later: het geneesmiddel zelf.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

artsenij geneesmiddel 1401-1450 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal