Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

artisjok - (distelachtige plant (Cynara scolymus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

artisjok zn. ‘distelachtige plant (Cynara scolymus)’
Vnnl. Articoca ... daerwt compt sijnen naem Artichaut [ca. 1545; Fuchs], artichocke “cruyt” [1557; Meurier], “gaerdendistel” [1573; Thes.], artischock [1567; Nomenclator].
Ontleend aan Italiaans articiocco, nu een verouderde vorm. Deze is wrsch. via *arcioffo en *arciocco uit het nog bestaande carcioffo ontstaan. Dat woord is ontleend aan Arabisch (al-)ḵaršūf, dat dezelfde plant aanduidt.
De oude hypothese dat aan het verouderde Italiaanse (en dus het Nederlandse) woord een Syrisch-Arabisch arḍī šaukī ‘artisjok; aardachtig, doornig’ ten grondslag zou liggen, wordt door Masri (1982) nog als nieuw gepresenteerd, maar is al weerlegd door Dozy (1867), die aannemelijk maakt dat het Syrische woord juist een leenwoord uit het Italiaans is.
In de Spaanse en Portugese woorden alcarchofo resp. alcachofra is het Arabische lidwoord bewaard.
Aan het Nederlands ontleend is wrsch. Russisch artišók.
Lit.: R. van der Meulen Rz. (1910) ‘Hollando-Russica’, in: TNTL 29, 247-260, hier 252-253; R. van der Meulen (1959) Nederlandse woorden in het Russisch, Amsterdam, 13; Philippa 1991; Dozy 1867, 18-22; A. Masri (1982) Arabisches Lehnwortgut im Englischen, Berlin, 110

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

artisjok [plant] {1573} < italiaans articiocco, nevenvorm van carciofo; in de eerste vorm laat het mee overgenomen ar. lidwoord een spoor na, vgl. spaans alcarchofa < arabisch khurshūfa.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

artisjok znw. v., evenals nhd. artischocke, ne. artichoke, nfra. artichaut < ital. articiocco naast carciofo, dat evenals spa. alcarchofo, port. alcachofra < arab. al-ḫaršūf ‘cynara scolymus’ (Lokotsch Nr: 833).

Uit het nnl. waarsch. ontleend russ. artišók (R .v. d. Meulen Ts 29, 1910, 252-3).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

artisjok znw., sedert Kil. Evenals hd. artischocke v., eng. artichoke uit fr. artichaut, it. articiocco, deze weer uit spa. alcarchofa > arab. al-ẖaršûf.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

artisjok v., gelijk Fr. artichaut, Eng. artichoke, Hgd. artischocke, uit It. articiocco, vervormd uit archiciocco, archicioffo, die zelf volksetymologische vervormingen zijn van ’t Ar. met het lidw. al haršūf. De Ar. naam in Syrië gebruikelijk: ardischauki, komt ook uit het It.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

artisjok s.nw.
Distelagtige plant as groente gekweek.
Uit Ndl. artisjok (1573 in die vorm artichocke).
Ndl. artisjok uit It. (noordelike dialek) articiocco, arciciocco, wisselvorme van arcicioffo uit Oud-Spaans alcarchofa uit Arabies al-kharshuf.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

artisjok: pln. (spp. Cynara en Helianthus, fam. Compositae, asook spp. Stachys, fam. Labiatae); Ndl. artisjok (kort voor en sedert Kil, by vRieb o.a. a(e)rtjessocken/artiessocken, by ander artichocken), Hd. artischocke, Eng. artichoke, via Fr. artichaut en It. articiocco uit Sp. alca(r)chofa uit Arab. al-harsjūf.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

artisjok (verouderd Italiaans articiocco)

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Artisjok
De etymologen schijnen geen twijfel meer te hebben over den oorsprong van dit woord; het komt, zeggen zij, van het Arab. ardhî sjaukî; zoo Sousa, p. 24, Pihan, p. 43, Diez op articiocco enz., en inderdaad geeft de reiziger Russel, in zijn boek over Aleppo, dit woord in de beteekenis van artisjok; men vindt het ook bij Bocthor onder artichaut en chardon, en bij Berggren (p. 841) onder cinara; vergelijk denzelfden, p. 838, onder carduus benedictus en carduus marianus. Derhalve schijnt de zaak beslist en afgedaan; ‘alleen Quatremère heeft in zijne recensie Tan Pihan’s boek (in het Journal des savants van 1848, p. 41) eenigen twijfel doen hooren; “je doute un peu,” heeft hij gezegd, en ofschoon hij geene redenen opgeeft, zoo liggen zij evenwel voor dengene, die Arabisch kent, niet in het duister verborgen. Ardhî sjaukî toch is een wonderlijk woord. Ardhî is een adjectief van ardh, aarde, en sjaukî is een adjectief van sjauk, doorn. De samenstelling beduidt dus niet Erddorn, zooals Diez vertaalt, maar zou beteekenen aardachtig doornig, en het strijdt met den aard van elke taal, maar vooral met dien van de Arabische, dat eene plant door twee adjectieven, die eene hoedanigheid te kennen geven, wordt aangeduid; men verwacht natuurlijk, dat de naam dier plant een substantief is, des noods gevolgd door een adjectief. De Arabieren hadden des te minder reden om tot zulk eene vreemde samenstelling hunne toevlucht te nemen, daar zij voor de plant in kwestie substantieven hadden. Ik zal nu ardhî sjaukî buiten rekening laten, om er later op terug te komen, en alleen opmerken, dat het in het Oosten een betrekkelijk nieuw woord is.
Naar het mij voorkomt, zijn alle benamingen, waarmede de artisjok in de verschillende talen wordt aangeduid, veranderingen of verknoeiingen van één en ’t zelfde woord. Tot welke taal dit woord oorspronkelijk behoort, weet ik niet; zeker niet tot het Arab., want het staat niet bij Lane, is dus niet klassiek, niet oud, en ik moet aan anderen overlaten om te beslissen, of de Keltische etymologie, die men voorgeslagen heeft (van art, doorn, en chaulx, kool), eenigszins waarschijnlijk is. Hoe het zij, het bedoelde woord luidt in het Arab. harsjef (de h sterk geadspireerd), en dit is, met nog sterker adspiratie en verandering der laatste vokaal, charsjof geworden. Onder den laatsten vorm vindt men het woord in den Mosta’înî, een woordenboek der niet samengestelde geneesmiddelen, dat in ’t begin der twaalfde eeuw te Saragossa geschreven is (HS. 15), maar de schrijver zegt : “In vele boeken heb ik het woord met de ch gevonden, zooals ik het hier geschreven heb; maar de ware schrijfwijs is met de h en met de vokaal a in de laatste lettergreep.” Uit dit charsjof (ook charsjoef, Hœst, Nachrichten von Marokos, p. 308, Marcel, karsjoef, Marcel, chorsjoef, Alcala op alcarchofa en op cardo arrecife) is, met bijvoeging van het Arab. lidwoord, het Sp. alcarchofa, alcachofa, even als het Port. alcachofra ontstaan. Aan den anderen kant heeft men in ’t Ital. carcioffo en arciocco (bij Dodonaeus, Cruydt-Boeck, p. 1223 b, die in ’t meervoud archiocchi spelt). Zou het laatste woord geene verknoeiing van ’t eerste zijn? Geene woorden worden gewoonlijk zóó erg verminkt als de namen van planten en te recht spreekt Diez ergens (p. 430) van “die ungemeine Entstellung der Pflanzennamen”. Is dus arciocco uit carcioffo ontstaan, dan laat zich de verdere verandering in articiocco, artichaut, gemakkelijk verklaren. Zeer gewaagd is overigens deze gissing niet; Diez althans maakt geen de minste zwarigheid om articiocco en carcioffo voor ’t zelfde woord te houden.
Om nu op ardhî sjaukî terug te komen zoo geloof ik, dat dit woord, hetwelk alleen bij late reizigers en in woordenboeken der hedendaagsche taal te vinden is, voor niets anders moet gehouden worden dan voor het Ital. articiocco, dat door de Syriers, ten gevolge van hun verkeer met de Italianen in hunne havens, is overgenomen; want als ik mij niet vergis, dan wordt het alleen in Syrië gebruikt; de Egyptenaars zeggen charsjoef (Humbert, Guide de la conversation arabe, p. 48, Bocthor), evenals de Marokkanen, (Hœst), terwijl de bewoners van Barbarije geheel andere woorden gebruiken, namelijk kernoen (Roland de Bussy, L’idiôme d’Alger, p. 92, Humbert t.a.p.) en kannâria (Bocthor; ook in Marocco, Dombay, Gramm, ling. Mauro-Arab., p. 59). Hetgeen mij verder in dit vermoeden versterkt, is, dat Bocthor niet alleen den vorm ardhî sjaukî geeft, maar ook ارشوكة. Hierbij, ofschoon de uitspraak weinig verschilt, verdwijnt alle denkbeeld van aardachtig ; het beteekent in ’t Arab. niets, het is een vreemd, louter overgeschreven woord. Maar de Syriers hebben er een zin aan gehecht, het gearabiseerd, en het woord leende zich er toe, daar toevallig de artisjok eene plant is, die tot de doornige, tot de distels, behoort (howa çanfon min as-sjauki, zegt dan ook de Mosta’inî; vgl. Bocthor onder chardon) en dicht bij den grond groeit. Maar het is eene woordspeling, niets meer.
Overigens komt ons artisjok rechtstreeks van het Ital. articiocco, zooals ook de oudere schrijfwijs (articiocken bij Dodonaeus) bewijst.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

artisjok ‘plant, groente’ -> Russisch artišók ‘plant, groente’; Oekraïens artišók ‘plant, groente’ <via Russisch>; Indonesisch artisyok ‘plant, groente’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

artisjok plant 1573 [WNT] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal