Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

artillerie - (geschut; afdeling van het leger voor de bediening ervan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

artillerie zn. ‘geschut; afdeling van het leger voor de bediening ervan’
Mnl. artillerie ‘werpgeschut’ [1402; MNW], aertillerie ‘geschut, schutterij’ [1424; Debrabandere 1994]; vnnl. artillerije [1563; Meurier].
Ontleend aan Frans artellerie ‘geschut’ [ca. 1307; Rey], maar met blijvende Franse invloed, want anders zou het woord nu klankwettig artillerij luiden (zie → -erij). Het Franse woord is afgeleid van het Oudfranse werkwoord artillier ‘uitrusten van oorlogstuig’ [12e eeuw; Rey], waarvan de etymologie niet zeker is. Wrsch. is het een vervorming, onder volksetymologische invloed van art ‘techniek’, van een ander Oudfrans werkwoord attilier ‘versieren, uitrusten’ [12e eeuw]. Dat zou dan ontwikkeld moeten zijn uit vulgair Latijn *apticulare, afleiding van Latijn aptāre ‘voorzien van, bevestigen’, zie → adapteren. Een andere mogelijkheid (Kluge) is dat Oudfrans attilier een gedissimileerde vorm is van weer een ander werkwoord atirier ‘toe-, uitrusten’ [12e eeuw], dat met Frankisch *tērī- ‘versiersel’ (waarbij Oudhoogduits ziarī ‘id.’, zie → sieraad) gevormd zou zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

artillerie [geschut] {1402 in de betekenis ‘werpgeschut’} < frans artillerie < middeleeuws latijn artillaria [geschut, artillerie], van artillum [uitrusting, apparatuur], verkleiningsvorm van ars (2e nv. artis) [kunst, kunstvaardigheid, (kunst)middel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

artillerie znw. v., < fra. artillerie < prov. artilla ‘vestingwerk’ < mlat. articula, afgeleid van ars ‘kunst’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

artillerie znw. Reeds in ʼt Mnl. ontleend uit fr. artillerie, een afl. van lat. articula, een demin.-vorm van ars “kunst”. De M.E.sche bet. was “werpgeschut”. Internationaal woord.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

artillerie (Frans artillerie)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

artillerie ‘wapen van de landmacht, uitgerust met geschut’ -> Indonesisch artileri ‘wapen van de landmacht, uitgerust met geschut’; Petjoh artjerie ‘wapen van de landmacht, uitgerust met geschut’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

artillerie wapen van de landmacht, uitgerust met geschut 1550 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal