Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

armoedzaaier - (zeer arm persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

armoede zn. ‘behoeftige omstandigheid’
Onl. armuodis (genitief) ‘ellende, ongeluk’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. armode [ca. 1200; CG II, Servas], armoede ‘armoede, ellende, ongeluk’ [1254; Toll.].
Oudgermaanse afleiding van → arm 2 ‘behoeftig’ met een achtervoegsel dat ook voorkomt in bijv.kleinood en → sieraad. De huidige vorm is ontstaan door volksetymologische associatie met → moed.
Os. armōdi (mnd. armode); ohd. armōte, armōtī ‘armoede, ellende’ (nhd. Armut); ofri. ermōdichēd (nfri. earmoed). Behalve in bovengenoemde Nederlandse woorden komt het West-Germaanse achtervoegsel *-odja- ook nog voor in Duits Heimat ‘geboortestreek’ en Einöde ‘eenzaamheid’.
armoedzaaier zn. ‘arm persoon’. Nnl. armoedzaaier ‘door en door arm persoon’ [1900; Stutterheim 1964, 263], in het verleden ook wel specifiek ‘verarmde heer van stand’, bijv. in de definitie “schimpnaam voor een kalen menheer, ...” [1901; Kuipers]. Vermoedelijk oorspr. gevormd uit armoede in de betekenis ‘ruzie’, die in de noordoostelijke dialecten voorkwam en te maken heeft met → ar 1, en een afleiding van → zaaien ‘rondstrooien’. Armoedzaaier zou dus ‘ruziestoker’ hebben betekend, en volgens Stutterheim (1964, 265-269) wordt deze betekenis inderdaad nog gevonden, en wel in de socialistische stakerswereld van begin 20e eeuw. Daarbuiten en daarna zijn alleen vindplaatsen bekend met de huidige betekenis, die volksetymologisch geassocieerd werd met armoede ‘ellende’. Ook een Fries woordenboek uit 1900 geeft earmoedsaeyer ‘ruziestoker’ [Stutterheim]; het huidige Friese earmoedsaeijer ‘armoedzaaier’ is echter aan het Nederlands ontleend.
Lit.: C. Stutterheim (1964) ‘Armoedzaaier’, in: TNTL 80, 249-270

EWN: ♦ armoedzaaier zn. 'arm persoon' (1900)
ANTEDATERING: Armoedzaaier, rustverstoorder [1880; Soerabaijasch handelsblad (KB) 12/1]
Later: zoo'n ongelukkige armoedzaaier [1884; Recht voor allen (KB) 12/4]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

armoedzaaier* [zeer arm persoon] {1901-1925} fries earmoed-saeijer [ruziestoker]; oorspr. een Noord-Hollands woord met de betekenis ‘kale meneer, arme vent’, van armoede + zaaien.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

armoedzaaier

Een vreemd woord! Een armoedzaaier is immers niet iemand die armoede om zich heen zaait, maar iemand die armoede lijdt, die altijd geldgebrek heeft. In het bijzonder bezigt men het woord voor hem die ondanks een laag inkomen toch altijd netjes voor den dag moet komen. Voor de verklaring helpen ons het Fries en verscheidene dialecten. Het Fries kent: earmoedsaeyer voor: ruziestoker en oostelijke dialecten bevestigen deze betekenis. Wij moeten uitgaan van de grondbetekenis narigheid, ellende, waaruit zowel het begrip armoede als het begrip ruzie is voortgekomen. De oorspronkelijke betekenis vindt men nog terug in zinnen als: toen het maar bleef regenen, zijn we eindelijk van armoe maar naar huis gegaan, of: z’n geld in armoe verteren. Toen het woord werd overgenomen in de algemene spreektaal werd de gewone betekenis van armoede ingevoerd in plaats van de dialectische, dus: gebrek in plaats van: ruzie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

armoedzaaier znw. m. Het woord is uitgegaan van het fri., waar evenwel earmoed-saeijer ‘ruziestoker’ betekent, daar in het oostel. en noordel. ndl. armoede ‘ruzie’ betekent (invloed van in arren moede?). Bij de overname in de andere gewesten van ons land, trad de gewone bet. van armoede voor de oude in de plaats (v. Haeringen, NT 37, 1943, 42-47).

armoedzaaier [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 228 [1969].

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

armoe(d)zaaier: straatarm persoon; iemand die steeds geld te kort heeft; zielenpoot.

’t Was de kamer van een armoezaaier, maar gemeubeld naar mijn zin; de kamer van een bedaard, huiselijk jongmensch, voor wien aan elke bloem in zijn behangsel een herinnering was verbonden. (De Groene Amsterdammer, 08/03/1896)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

armoedzaaier* zeer arm persoon 1901 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal