Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

arm - (behoeftig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

arm 2 bn. ‘behoeftig’
Onl. arm [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. arm [1200; CG II, Servas].
Algemeen Germaans woord: os. arm ‘ellendig, behoeftig’; ohd. arm (nhd. arm); ofri. erm (nfri. earm); oe. earm; on. armr (nzw. arm); got. arms; < pgm. *arma-.
Over verdere verwantschappen bestaat weinig zekerheid. Misschien hoort het bij pie. *h2erH- ‘dun bezaaid zijn, wijd verspreid zijn’, en dan bij Grieks erẽmos ‘eenzaam’ (< pie. *h1rh1mo-); Litouws ìrti ‘uit elkaar vallen, oplossen’; Oudkerkslavisch oriti ‘vernielen’. Got. arms wijst op pie. *h1orh1-mo-.
Lit.: K. Johansson (1891) ‘Gotische Etymologien’, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 15, 223-224; EWgP 104-105

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

arm2* [behoeftig] {oudnederlands arm 901-1000, middelnederlands a(e)rm, erm} oudhoogduits ar(a)m, oudfries erm, oudengels earm, oudnoors armr [ellendig], gotisch arms.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

arm 2 bnw. mnl. arm, aerm, arem, onfrank. os. arm, ohd. arm, aram, ofri. erm, oe. earm ‘arm, ellendig’, on. armr ‘ellendig’, got. arms ‘arm, ellendig’.

De etymologie is niet zeker: 1. uit een grondvorm *arƀmaz < idg. *orbh-mo en dan verwant met de groep van erf, blijkens lat. orbus ‘beroofd van’ (reeds IEW 782 als zeer twijfelachtig aangemerkt). — 2. bij oi. arbhas ‘klein, zwak, jong’ (Wood, MNL 21, 1906, 39). — 3. bij gr. erē͂mos ‘leeg’, oi. armaka- ‘smal, dun’, av. airima ‘eenzaamheid’ (Fick 3, 24), Deze verklaring wint aan waarschijnlijkheid door de beschouwing van Weisweiler (IF 41, 1923, 304 vlgg.), dat de oorspronkelijke betekenis ‘eenzaam, verlaten’ zou zijn geweest, waaruit dan verder ‘rechteloos, zonder bescherming’. — Zie: barmhartig, erbarmen.

arm [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie E. Polomé, RBPhH 44, 107 [1966].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

arm II bnw., mnl. arm (aerm, ārem). = onfr. arm, ohd. ar(a)m (nhd. arm), os. arm, ofri. erm, ags. earm (eng. arm) “arm, ellendig”, on. armr “ongelukkig, ellendig”, got. arms “arm, ellendig”. Waarsch. uit *arƀma-, idg. *orbh-mo- en met de onder erf besproken woordgroep verwant. Ook is verwantschap met arbeid mogelijk, maar minder wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

arm II bnw. Weisweiler IF. 41. 304 vlgg. maakt waarschijnlijk, dat de oudste betekenis van het germ. woord was ‘eenzaam, verlaten’, waaruit ‘rechteloos, zonder bescherming’. Zulk een bet. past zeer goed bij die van het onder erf genoemde idg. *orbho- en maakt dus de combinatie met die woordgroep te waarschijnlijker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

arm 2 bijv.(behoeftig), Mnl. arem, arm, Onfra. arm + Ohd. arm (Mhd. en Nhd. id.), Ags. earm, Ofr. erm, On. armr (Zw. en De. arm), Go. arms: Ug. *arƀnaz, Idg. *orbhnos, van denz. wortel als erf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

erm (bn.) arm, behoeftig; Aajdnederlands arm <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2arm b.nw.
1. Behoeftig, met min geld, besittings of geestelike goedere. 2. Wat bejammering of meegevoel verdien.
Uit Ndl. arm (al Mnl.).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. arm bn.: arme duivel (de, -s), (veroud.) onbekende slingerplant, vermoedelijk behorende tot de Kotomisifamilie*. In herbarium van P. Herman, 1698: Armen Duyvel (zie Brinkman).

Thematische woordenboeken

J. Meijer (1984), Tolk van 't olle volk: Joods supplement op het Nieuw Groninger woordenboek van K. ter Laan, Scheemda

aarm Kloagn as ’n aarme (òl) jeude. TL 45.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

arm ‘behoeftig’ -> Zuid-Afrikaans-Engels arme ‘behoeftig, beklagenswaardig’ <via Afrikaans>; Negerhollands aerm ‘behoeftig’; Berbice-Nederlands arum ‘behoeftig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

arm* behoeftig 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

111. Arm.

Om de grootste armoede aan te duiden worden verschillende vergelijkingen gebruikt. Bijv. hij is zoo arm als de mieren; zoo arm als Job; zoo arm als de straat, ook straatarm (d.i. zoo arm, als wie zonder woning, op straat staat); zoo arm als een luis, ook luisarm, als een worm aan de haak (Jord. 101); nd. nett so arm as 'n Lüs (Eckart, 18). Evenzoo in het Friesch: sa earm as Jop - as in lûs, - in mier, - in sweal (zwaluw). In Vlaanderen zegt men: zoo arm als Job, een Laplander, een Ierlander, een schooier, de ratten of de muizen in de kerk, de mieren, een Kozak, een luis (zie Joos, bl. 11; Teirl. 81; Antw. Idiot. 165); vgl. fr. il est pauvre comme Job, comme un rat d'église; hd. arm wie Hiob, eine Kirchenmaus; eng. as poor as a church-mouse, as Job. Men herinnere zich hoe, volgens het Oude Testament, Job beroofd wordt van alle bezittingen; vgl. Job I, 13-19 en ook vs. 21 waar hij zegt, ‘dat hij naakt, van alles ontbloot, gelijk hij ter wereld is gekomen, naar den schoot zijner moeder, de aarde, zal wederkeeren’. Zie Zeeman, 302.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

orbho- ‘verwaist, Waise’; daraus (arm. gr. mit -ano-, kelt. germ. mit i̯o-Ableitung) ‘Waisengut = Erbe’, wovon ‘der Erbe’; ‘Waise’ = ‘kleines Kind, klein, schwach, hilflos’ (ai., slav.); ‘verwaistes, schutzloses Kind, das fürs Gnadenbrot alle niedrige Arbeit zu verrichten hat, Knecht, Sklave’ (slav., arm.), wovon ‘Knechtesarbeit’

Ai. árbha- ‘klein, schwach; Kind’; arm. orb, -oy ‘Waise’; arbaneak ‘Diener, Gehilfe’?;
gr. ὀρφο-βόται· ἐπίτροποι ὀρφανῶν Hes., ὤρφωσεν· ὠρφάνισεν Hes., ὀρφανός ‘verwaist’ (vgl. arm. arbaneak), lat. orbus ‘einer Sache beraubt, verwaist’;
air. orb(b)e, orpe m. n. ‘der, das Erbe’ (*orbhi̯o-), comarbe ‘Miterbe’, gall. Orbius MN (dazu das Verbum air. no-m-erpimm ‘committo me’, ro-eirpset ‘sie übergaben’ usw., vielleicht aus*air-orb-);
got. arbi n. ‘das Erbe’, ahd. arbi, erbi n. ds., ags. ierfe, yrfe n. ds. (aisl. arfr m. ‘das Erbe’ ist zu arfi, arfa ‘der Erbe, die Erbin’ neugebildet), aisl. erfi (run. arƀija) n. ‘Leichenmahl’; got. arbja, aisl. arfi (f. arfa), ahd. arpeo, erbo ‘der Erbe’, ags. ierfe n. ‘das Erbe’; die germ. Wörter stammen wegen des Folgenden kaum aus dem Keltischen;
aus ein intr. Verbum *arƀē-i̯ō ‘bin verwaistes, zur harten Arbeit verdingtes Kind?’ führt man zurück got. arbaiþs f. ‘Mühsal, Arbeit’, aisl. erfiði n. ds., as. araƀēd f., arƀēdi n., ags. earfoþ f., earfeþe n. ‘Mühe, Arbeit’, ahd. arabeit ‘Arbeit’ (aisl. erfiðr, ags. earfeþe ‘beschwerlich’), Grundf. *arƀēi̯iðiz; sehr fraglich ist Entstehung aus *arƀ-ma- für got. arms ‘elend’, aisl. armr ‘elend, unglücklich’, ahd. as. ar(a)m, ags. earm ‘arm, dürftig’; Grundbed. wäre etwa ‘armes Waisenkind’;
abg. rabъ ‘Knecht’, rabota ‘servitus’, čech. rob ‘Sklave’, robě ‘kleines Kind’, russ. rebjáta ‘Kinder’, rebënok ‘Kind’; die russ. Formen gehen auf rob-, urslav. *orb- zurück (Vasmer brieflich);
vielleicht hitt. arpa- ‘Ungunst, Mißerfolg’.

WP. I 183 f., WH. II 219 f., Trautmann 12.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal