Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

anker - (om schip vast te leggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

anker 1 zn. ‘zwaar ijzeren gestel, m.n. om schip vast te leggen’
Mnl. anker ‘scheepsanker’ [1240; Bern.].
Oude ontlening aan Latijn anchora ‘id.’ < Grieks ánkūra, verwant met → angel.
Ohd. anker, ankero [12e eeuw] (nhd. Anker); ofri. anker (nfri. anker); oe. ancor, ancer, ancra (ne. anchor); on. akkeri; < pgm. *ankara-.
Het anker in de huidige tweearmige vorm werd aan het begin van de jaartelling overgenomen van de Romeinse vloot in het Germaanse gebied langs de Noordzee. De inheemse bevolking zelf gebruikte stenen: bijv. Oudhoogduits senchil ‘anker’, een afleiding met instrumentaal achtervoegsel *-ila bij de wortel van het werkwoord → zinken. Het nieuwe woord verbreidde zich met het nieuwe ankertype langs de kust tot in Scandinavië. In het Duits verschijnt het woord pas na 1100, wat ook weer op een kustwoord wijst.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

anker1 [om schip vast te leggen] {1201-1250} < latijn ancora < grieks agkura, verwant met agkulos [gekromd] → angel1, angora.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

anker 1 znw. o. (van een schip), mnl. anker, evenals mnd. anker, ohd. anchar, ofri. onker, oe. oncor (ne. anchor), on. akkeri < lat. ancora < gr. ágkura.

Het woord is een aanduiding van het twee-armige anker, dat de Grieken uitgevonden hadden. In de Romeinse tijd werd voorwerp en naam uit de Romeinse scheepstaal overgenomen (voordien gebruikten de Germanen een steen om het schip vast te leggen, vgl. ohd. senchil, sinchila). Het is mogelijk dat de Angelsaksen het woord reeds overnamen nog voor hun emigratie naar Engeland. In het hd. is het woord eerst later van de kuststammen ontleend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

anker I (van een schip) znw. o., mnl. anker m. = laat-ohd. anchar m. (nhd. anker), mnd. ạnker m. o., ags. oncor m. (eng. anchor), on. akkeri o. “anker”. Ontleend uit lat. ancora (< gr. ánkūra) “id.”. Deze scheepsterm was al vroeg in Engeland bekend; wellicht tegelijk aan de Nederl. kust? Later drong bij door in het Skandinavisch, Ndd. en Hd. Hier verdrong hij de oude van zinken afgeleide benaming ohd. senchil m., sinchila v.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

anker I (van een schip). Adde: ofri. onker m. ‘anker’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

anker 2 o. (houvast), Mnl. anker + Ohd. anchar (Mhd. en Nhd. anker), Ags. ancor (Eng. anchor), On. akkeri (Zw. ankare, De. anker): door de kustbewoners ontleend aan Mlat. ancoram(-a) (waaruit ook de Rom. woorden: Fr. ancre, enz.), en dit uit Gr. ánkura van ónkos (z. angel); het Gr. woord ging anderzijds in ’t Slav. over: Lit. inkoras, Po. ankier, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aanker (zn.) anker; Vreugmiddelnederlands anker <1240> < Latien anchora.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ankertje, zn.: borstel. Merknaam Ancre.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1anker s.nw.
1. Swaar ystervoorwerp met arms en kloue aan 'n skag, wat gebruik word om 'n skip vas te lê. 2. Toestel om iets aan die grond of aan ander voorwerpe vas te heg. 3. Iets wat 'n mens steun gee en jou veilig laat voel. 4. Persoon by 'n radio- of TV-program wat as aanbieder 'n saambindende funksie vervul.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. anker (al Mnl.). Bet. 4 is 'n leenbetekenis van Eng. anchor (1965). Eerste optekening in vroeë Afr. op 2 Oktober 1652 in die aanhaling "dat het ancker al wegh was" (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).
Ndl. anker uit Latyn ancora uit Grieks agkura, wat verwant is aan agkulos 'gekrom'. Die grondbetekenis van anker, soos ook van angel, was blykbaar 'krom of haakvormige voorwerp, haakvormige punt'. Eng. anchor is 'n verkorting van anchor-man.
Vgl. angel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

anker (Latijn ancora)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

anker ‘gestel om schip vast te leggen; ijzeren houvast’ -> Deens anker ‘gestel om schip vast te leggen; onderdeel van machine; muuranker’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors anker ‘gestel om schip vast te leggen; onderdeel van een machine of uurwerk; muuranker’; Zweeds ankare ‘gestel om schip vast te leggen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ankkuri ‘gestel om schip vast te leggen’ <via Zweeds>; Ests ankur ‘gestel om schip vast te leggen’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools † ankier ‘gestel om schip vast te leggen’; Russisch † ánker ‘gestel om schip vast te leggen’; Lets enkurs ‘gestel om schip vast te leggen’ (uit Nederlands of Duits); Litouws inkaras ‘gestel om schip vast te leggen’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch angker, jangkar ‘gestel om schip vast te leggen; rotor, armatuur’; Ambons-Maleis angker ‘gestel om schip vast te leggen’; Javaans angkur ‘muuranker’; Kupang-Maleis jangkar ‘gestel om schip vast te leggen’; Singalees änkara-ya ‘gestel om schip vast te leggen’; Negerhollands anker, henka, henku ‘gestel om schip vast te leggen’; Papiaments anker ‘gestel om schip vast te leggen’; Sranantongo ankra ‘gestel om schip vast te leggen’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans hánka ‘gestel om schip vast te leggen’ <via Sranantongo>; Arowaks anker ‘gestel om schip vast te leggen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

anker gestel om schip vast te leggen 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

83. Anker.

In figuurlijke taal wordt het anker, ‘de steun van het schip, waarop de zeeman, ook in den storm, vertrouwt, het eigenaardige zinnebeeld der hoop, die den mensch moed en kracht geeft, ook in de stormen des levens; eng. anchor. Waarschijnlijk heeft anker deze beteekenis aangenomen naar aanleiding van Hebr. 6, 19: “Om de voorgestelde hope vast te houden, welcke wy hebben als een ancker der ziele, het welck seker ende vast is.” Inzonderheid in toepassing op het vertrouwen en de hoop van den geloovigen Christen is het zinnebeeldige anker gebruikt in bijbelschen en dichterlijken stijl’; zie Ndl. Wdb. II, 496; Winschooten, 8: ‘Oneigendlijk werd het woord Anker genomen voor hulp en toeverlaat’. Vgl. hd. auf etw. ankern; der Anker des Glaubens, der Rettung, der Hoffnung; fr. l'ancre de salut, plechtanker (fig.); eng. to anchor on, upon, zich verlaten op. Zie Plechtanker.

84. Zijn anker ergens laten vallen,

d.w.z. ergens zijn intrek nemen, om er voortaan - korter of langer - te verblijven, evenals de zeeman zijn anker laat vallen op de plaats, waar hij eenigen tijd moet blijven liggen; Ndl. Wdb. II, 495. Vgl. reeds in het Gr. αγκυραν καθιεναι; bij ons Trou m. Blijcken 10, vs. 198: Daer pleech ick gaern mijn ancker te sincken; Kluchtsp. II, 133: Sy hoeven tmynent heur ankertjen niet uyt te smyten, want myn stal en sal gien vreemt man meer beschijtenZie nog een plaats van ‘het anker uitsmijten’ bij H.E.H. v. Loon, Ndl. Vertalingen naar Molière uit de 17de eeuw, bl. 37.; fr. s'ancrer auprès de, chez qqn. (vgl. Antw. Idiot. 162: Ievers blijven ankeren, er blijven zitten, hangen, toeven); Goeree en Overflakkee: Zijn anker ergens neerleggen, er blijven eten, logeeren; eng. to drop one's anchor; hd. er geht in jedem Wirtshaus vor Anker; fri. it anker falle litte.

85. Zijn anker lichten,

d.w.z. heengaan, zich verwijderen; vgl. lat. ancoras tollere. Ook de zeeman licht zijn anker, als hij het door middel van het spil uit den grond trekt, om de vaart te beginnen of te hervatten. In de middeleeuwen in letterlijken zin; in de 17de eeuw ook overdrachtelijk blijkens Winschooten, 138: Een anker ligten: een anker uit den grond ophijsen; waarvan het bekende spreukjen: ik ligte mijn anker: ik ging deur; Brederoo II, 824: Voor myn sachtmoedigheyt moet wraak het ancker lichten; Vondel, Gijsbr. v. Aemst. 354; Cats I, 277:

 Maer siet! ons praet die heeft gedaen,
 Want ginder koomt u man gegaen;
 Ick danck u voor uw goet bericht;

 't Is tijt dat ick mijn ancker licht.Zie verder Halma, 316: Zijn anker ligten, vertrekken, deurgaan; Ndl. Wdb. II, 493; 495; VIII, 1970. Jord. 66: Nou beste siele..... ik licht me anker..... ajusies! Vgl. Hij moet zijn anker kappen, hij moet zich overhaast uit de voeten maken.

1720. Voor iets opdraaien,

d.i. niet vorderen, voor iets blijven steken, iets niet kunnen gedaan krijgen. De eerste beteekenis van opdraaien is die van in den voortgang gestuit, tegengehouden worden, zooals voor het anker opdraaien, door het daartoe uitgeworpen anker tegengehouden worden in het verder wegdrijven; voor eene ondiepte opdraaien, door eene ondiepte plotseling in zijn weg gestuit worden; daarna figuurlijk ergens voor opdraaien, er voor blijven steken, iets niet kunnen gedaan krijgen; ook: voor iets moeten boeten, de nadeelige of onaangename gevolgen van iets moeten dragen, en een ander ergens voor laten opdraaien, iemand anders de moeilijkheid op den hals schuiven, hem het werk laten doen, waarvoor men in de Zaanstreek zegt iemand ergens voor laten opstroopen of opstroppen; fri. opstrûpe of omteare (vgl. ook Boekenoogen, 712); zie Harreb. III, 52; Ndl. Wdb. XI, 458; Uit één pen, 29; Sjof. 75; 169; Kmz. 303; Nkr. III, 19 Sept. p. 3; Leersch. 181. Syn. is voor iets optornen, waarin tornen ‘wenden’ beteekent; eig. van ten anker komende schepen, die door ankerketting of -touw in het nederdrijven gestut worden en dus stil komen te liggenDe Jager, Frequ. II, 840-841; Ndl. Wdb. XI, 1298..

2583. De wind waait uit een anderen (of een verkeerden) hoek,

eig. gezegd door den schipper, die een anderen of ongunstigen wind krijgt; vandaar bij uitbreiding gebezigd van omstandigheden, die zich wijzigen of voor een bepaald doel ongunstig zijn, het tegenwerken, niet bevorderenOok bezigt men: de wind is gedraaid of gekeerd, de omstandigbeden zijn veranderd (vgl. reeds Roode Roos, 173: t Is messelyck hoet windeken gedrayt is) of de wind is om (Hooft, Brieven, IV, 34); Harreb. II, 469: De wind is bij hem gansch omgedraaid; Nkr. I, 20 Juli p. 6: De wind begint te keeren, Bram weet er alles van; Teirl. II, 120: de wend es gekeerd.. Vgl. Tuinman I, 949: Het waait uit dien hoek, dat wil zeggen, van die zyde heeft men de gunst en drift, van daar komt het; II, 162: de storm kwam uit dien hoek niet, dat is, vandaar kreeg het quaad zynen oorsprong niet, het waaide uit eenen anderen hoek; Boerekrakeel, 236:

 Loop, loop, zei Kees, jy weet niet waer
 De wynt van daen komt; maar wy weeten
 De zaek al aers, des zwyg maer stil.

W. Leevend, VI, 13: Al waait het eens uit den verkeerden hoek, dat is fut; V. Janus, 143: Die wind begint uit een' geheel anderen hoek te waaien, die bortjens schijnen deerlijk voor u verhangen te zijn; Harreb. I, 310: De wind waait daar uit geen goeden hoek. Weten uit welken hoek de wind waait, weten hoe 't met iets gelegen is, hoe de zaken staan; weten, waar men zich aan te houden heeft; zie Harreb. I, 380: Hij weet wel van welken kant de wind waait; Ndl. Wdb. VI, 799; afrik. Waai die wind uit daar die hoek? staan de zaken zoo? fr. regarder de quel côté vient (ou souffle) le vent, observer le cours des événements pour y conformer sa conduite (Hatzf. 2227 a); eng. tho know in what quarter does the wind sit, which way (or how) the wind blows; according as the wind blows; hd. wissen woher der Wind kommt; Zuidnederl. weten, zien hoe of vanwaar de wind komt, zien welke wending de zaken nemen, of hoe iemand gezind is (Joos, 99; Rutten 279 a; Waasch Idiot. 746; Schuerm. 865 a); de wind komt uit het noorden of 't is vandaag noordenwind, gezegd van iemand die er kwaad uitziet (Schuerm. 414 b); fri.: min moat witte ut hwet hoeke de wyn waeit, men moet altijd de noodige omzichtigheid in acht nemen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal