Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

angel - (haak, hengel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

angel zn. ‘vishaak; prikorgaan van bepaalde insecten’
Mnl. anghel ‘vishaak’ in als die visg duot. die vom lait vain mit der angelen ‘zoals de vis doet, die zich laat vangen met een vishaak’ [1270-90; CG II, Moraalb.]; zonder -l ook ange ‘(inwendige) prikkel’ [1430-50; MNW-R].
Os. angul; ohd. angul ‘vishaak’ (nhd. Angel ‘hengel’); nfri. angel; oe. angel, angul, ongel (ne. angel ‘vishaak’); on. öngull (nzw. angel); < pgm. *angula-. Met instrumentaal -l-achtervoegsel gevormd bij pgm. *anga- ‘punt, stekel’, waaruit: os. ango; mhd. ange; oe. anga; on. angi.
Buiten het Germaans wrsch. verwant met Latijn uncus ‘haak’, angulus ‘hoek’ (zoals in → triangel); Grieks ankōn ‘elleboog; hoek’, ánkūra ‘anker’ (zie → anker 1), ónkos ‘weerhaak’; Sanskrit aṇká- ‘kromming’; Oudkerkslavisch ǫkotĭ ‘haak’; Armeens ankiwn ‘hoek’; Tochaars A añcäl ‘boog’; bij de wortel pie. *h2eng-, *h2enk-.

EWN: angel zn. 'vishaak; prikorgaan van bepaalde insecten' (1270-90)
ANTEDATERING: onl. engil 'hoek, bocht' in de plaatsnaam Iugelhamma (lees Ingelhamma) (onbekende plaats bij Maldegem) [768-814, kopie 941; ONW]
Later: angul '(vis)haak, hoek' [851-900; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

angel1* [haak, hengel] {1276-1300; vgl. de eigennaam Van der Anghele 1263} oudsaksisch, oudhoogduits angul, oudengels angel, oudnoors ǫngull; buiten het germ. latijn uncus [gekromd, haak], grieks ogkos [weerhaak].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

angel znw. m., mnl. anghel, os. ohd. angul m. (nhd. angel v.) ‘haak, visangel’, oe. ongul m., on. ǫngull m. ‘vishaak’. Zonder l-suffix: mnl. anghe m. ‘prikkel’, os. ohd. ango m. ‘stekel, deurhengsel’, oe. onga m. ‘stekel’, on. angi m. ‘stekel, punt’, got. halsagga m. ‘nek’, eig. ‘buiging van de hals’. — gr. agkúlē ‘riem’, agkulós ‘gebogen’, naast gr. ógkos, lat. uncus, oi. añká- ‘haak’.

Met gramm. wisseling germ. *anhulō, vgl. oe. ōlþwang ‘lus, strop’, on. āl, ōl ‘band, riem’ (IEW 45-7). — Zie ook: enkel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

angel znw., mnl. anghel m. = ohd. angul m. “stekel, haak, vischangel” (nhd. angel, gew. v.), os. angul m. “hamus, calamus”, ags. ongel m. “haak, vischhaak” (eng. angle), on. ǫngull m. “vischangel”. Daarnaast met ander formans -n-): mnl. anghe m. “prikkel (ook overdracht.)”, nog dial. (Antw. ang v. “angel, baard van aren, spits”), ohd. ango m. “stekel, deurhengsel”, os. ango m. “id.”, ags. onga m. “stekel”, on. angi m. “stekel, punt”, got. hals agga m. “nek (halsbuiging)”. Vgl. buiten ’t Germaansch ier. êcath “vischangel” (aŋk-), lat. ancus “qui aduncum brachium habet”, uncus “krom, haak”, gr. ónkos “haak”, ànkōn (= germ. *aŋʒan-) “kromming, elleboog”, ankulos “krom”, ksl. ąkotî “haak”, lit. anka “strik”, oi. aŋká-”haak, kromming, zijde (van ’t lichaam)”, aŋkurá “spruit, twijgje” (= germ. *aŋʒula-z, gr. ankúlos) Met gramm. wechsel misschien on. ȃll, ộil m. “kiem” (*aŋχlu-). Een wortelvariant van idg: aŋq-, oŋq- (opvallende ablaut! Vgl. al) is bij enkel I besproken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

angel. In dit art. wordt on. âll, ôll m. ‘kiem’ genoemd als mogelijk Verner-doublet. Met groter waarschijnlijkheid kan als zodanig worden aangemerkt on. âl v. ‘riem’, dat zich in betekenis gemakkelijk aansluit bij gr. ankúlē ‘riem’ (eig.: de gebogene, gewondene). Zie nog aal I Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

angel m., Mnl. angel, Os. angul + Ohd. angul (Mhd. en Nhd. angel), Ags. ongel (Eng. angle), On. ǫngull. In de oude Germ. talen bestaat daarnevens ook een vorm zonder suffix -l; van denzelfden oorsprong als Lat. uncus, Gr. ónkos, Skr. ankas = haak; de grondgedachte is dus haak, niet punt; verg. anker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

dang, zn.: angel (van bij, wesp). Met anlaut-d door metanalyse uit Mnl. ange ‘angel, prikkel’, Vnnl. anghe, hanghel ‘cremillon ou cremillée’ (Lambrecht). Ohd. ango, Mhd. ange ‘stekel, angel’. Angel is ervan afgeleid. Verwant met Lat. uncus ‘krom, haak’, Gr. ogkos ‘haak’, Oind. aNká ‘haak, kromming’. Vgl. Br. ang ‘houten pen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

danger, zn.: angel (van insect). Met l/r-wisseling uit dangel, door agglutinatie van het lidwoord uit de angel.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

angel s.nw.
1. Skerp, dikw. giftige steekorgaan van bye, wespe, sommige miere, ens. 2. Lang, stywe, skerp haartjies wat uit die aar van gars, koring, hawer of gras groei. 3. Iets wat seermaak of grief.
Uit Ndl. angel (al Mnl.).
Ndl. angel is verwant aan Grieks ogkos 'haak' en Latyn uncus 'haak' (as s.nw.), 'krom' (as b.nw.). Die grondbetekenis van angel, soos ook van anker, was blykbaar 'krom of haakvormige voorwerp, haakvormige punt', waaruit 'skerp punt' ontwikkel het.
D. Angel, Eng. angle.
Vgl. 1anker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Angel, verkleinwoord van ’t Ohd. ango = spits, punt, stekel, vischhaak. De Idg. wt. onk bet.: spits zijn.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

angel* haak, hengel 1276-1300 [CG II1, 2]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

82. Iemand aan zijn angel krijgen.

Een angel is een vischhaak, waaraan men aas doet om de visch te verlokken er in te bijten en ze zoo te vangen. Figuurlijk wordt deze uitdr. gezegd van menschen: door een lokaas, dat men hun aanbiedt, in zijn macht krijgen; eng. to hook one; to keep one on the hook(s). Men zegt dan, dat zij aan den angel bijten, vastraken, enz.; Ndl. Wdb. II1, 450. Zoo lezen wij bij Vondel, X, 393:

 Zoo een van beide zich aan deze vrucht vertast,

 Geraeckenze alle beide aen mijnen angel vast.Vgl. ook de fri. uitdr. hwa hest nou oan 'e angel? wie hebt ge thans aan het lijntje? welk meisje hebt ge aan de hand?W. Dijkstra, 212; Fri. Wdb. I, 48 b.; hd. die Angel nach etwas, nach jem. auswerfen; fr. jeter le grapin sur qqc. - Hengelen naar een man; visschen naar een complimentje (vgl. eng. to hook, angle, fish for compliments); iemand aan den haak slaan (vooral van meisjes, die een vrijer hebben opgedaan; fr. accrocher un mari); iemand aan zijn snoer krijgen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ank-2, ang- ‘biegen’, Nominalstämme anko-, onko-; ankes-; anku-lo-; anken-, -on-; ankoto-; ankro-

Ai. añcati (mpers. ancītan) und (tiefstufig) ácati ‘biegt, krümmt’, Partiz.-akna- (mit ā-, ny-, sam-), -akta- (mit ud-, ny-) ‘gebogen’; aŋká-ḥ m. ‘Biegung, Haken, Biegung zwischen Brust und Hüfte’, áŋkas- n. ‘Biegung, Krümmung’ (= gr. τὸ ἄγκος ‘Tal, Schlucht’), aŋkasám ‘Seite, Weiche’; aŋku- in aŋkūyánt- ‘Krümmungen, Seitenwege suchend’;
av. anku-pǝsǝmna- ‘mit Haken, Spangen sich schmückend’, ai. ankuçá-ḥ ‘Haken, Angelhaken, Elefantenstachel’, aŋkurá-ḥ ‘junger Sproß, Schößling (ursprüngl. Keimspitze, gebogener Keim), Anschwellung’ (= gr. ἀγκύλος ‘krumm’, dt. Angel, anord. ōll, āll ‘Keimblatt, Keim’ s. u.);
av. aka- m. ‘Haken, Zapfen’, ąxnah (Bartholomae Stud. 2, 101, Airan. Wb. 359) ‘Zügel’;
gr. ἀγκών ‘Bug, Ellenbogen’ (D. Pl. ἀγκάσι zu ἀγκή = ἀγκάλη), ἐπ-ηγκεν-ίδες ‘die an den ἀγκόνες (Rippen?) des Schiffes befestigten Bohlen’ (Döderlein, Bechtel Lexil. 129), ἄγκοινα ‘alles Gekrümmte’, ἄγκιστρον ‘Angelhaken’; ἀγκύλος ‘krumm’, ἀγκύλη ‘Riemen’ (= anord. ōl, āl ds.), ἄγκυρα ‘Anker’; ἀγκάλη ‘Ellenbogen, Bucht, alles Gekrümmte’; τὸ ἄγκος (s. o.).
Mit o: ὄγκος ‘Widerhaken’ = lat. uncus ‘gekrümmt; Subst. Haken’ (ὄγκῑνος = uncīnus ‘Haken, Widerhaken’); ungulus ‘Fingerring’ Pacuvius, von Festus 514 L. als oskisch bezeichnet, ungustus ‘fustis uncus’ Paulus ex Fest. 519, s. unten unter ang-); ὄγκη· γωνία Hes.;
lat. ancus ‘qui aduncum brachium habet’, ancrae ‘convalles, vallis’ (‘Krümmung, Einbuchtung’ wie τό ἄγκος = germ. *angra-);
air. ēcath ‘Fischhaken’ = cymr. anghad ‘Griff, Hand’ (zu craf-anc ‘Klaue’) aus*aŋkato- = aksl. ǫkotь ‘Haken’;
gallorom. ancorago, ancora(v)us aus *anko-rākos ‘Rheinsalm, Hakenlachs’ schwd.Anke ‘Bodenseeforelle’ (gall. *anko- ‘gekrümmt’ und *rāko- ‘vorne’ aus *prōko-, cymr. rhag ‘vor’);
ahd. ango, angul ‘Fischhaken, Stachel’, aisl. angi, ags. onga ‘Spitze, Stachel’ (*aŋkón-; über got. halsagga ‘Halsbiegung, Nacken’ s. vielmehr ang̑h-); *angra (bis aufs Geschlecht = lat. *ancrae) in anord. angr ‘Bucht’ (in Ortsnamen wie Harðangr), ahd. angar, nhd. Anger (germ. VN Angrivarii); gleichbedeutend aisl. eng (*angiō-) ‘Wiese’; ahd. awgul (= gr. ἀγκύ-λος, s. o.), mhd. angel ‘Stachel, Angel, der ins Heft eingefügte Teil des Schwertes’, anord. ǫngoll ‘Angelhaken’, ags. ongel ‘Angel’. Much stellt hierherden lat.-germ. VN Anglii, ags. Angel, Ongel als ‘Anwohner der Holsteiner Bucht’ zum aisl. ON Ǫngull, mit einer sonst nicht belegten Bed. ‘Winkel, Bucht’ (Hoops Reallex. I 61); mit ursprünglicher Anfangsbetonung anord. ōll, āll ‘Keimblatt, Keim’ (*anhla-, Noreen Ltl. 25; zur Bed. vgl. außer ai. aŋkurá-ḥ noch norw. dial. ange ‘Keim, Zacke’ aus *ankón-), anord. ōl, āl f. ‘Riemen’ (Gdf. *ánhulō, vgl. ἀγκύλη, oder allenfalls *anhlō, das dem gr. ἀγκάλη näher stünde);
slav. jęčьmy ‘Gerste’ als ‘grannig, stachelig’ (Berneker 268), vgl. die obigen Worte für ‘Spitze, Stachel, Zacke’;
preuß.-lit. anka f. ‘Schlinge, Schleife’ (= gr. ὄγκη· γωνία Hes.); aksl. ǫkotь ‘Haken’ (s. о.);
toch. A añcäl ‘Bogen’, āṅkar- ‘Fangzähne, Bollwerk’; auch A oṅkaläm, В oṅkolmo ‘Elefant’? Van Windekens Lexique 6, 13, 82.
ang-, bes. zur Bezeichnung von Gliedmaßen (vgl. got. liþus ‘Glied’: *lei- ‘biegen’):
Ai. áŋgam ‘Glied’, aŋgúli-ḥ, aŋgúri-ḥ f. ‘Finger, Zehe’ (davon aŋgulīyam ‘Fingerring’), aŋguṣ̌ṭhá-ḥ ‘große Zehe, Daumen’ = av. angušta- m. ‘Zehe’, arm. ankiun, angiun ‘Winkel’ und añjalí-ḥ m. ‘die beiden hohl aneinandergelegten Hande’;
gr. ἄγγος n. ‘Eimer, Schale’, ἀγγεῖον (*αγγεσ-ιον) ‘Gefäß’, eigentl. ‘geflochtenes Gefäß’;
mir. aigen ‘Pfanne’ ist dial. Nebenform von *aingen ds.;
ahd. ancha, enka f. ‘Genick’ und ‘Schenkel, Knochenröhre’ (*ankiōn-), anord. ekkja ‘Knöchel, Ferse’; Demin. ahd. anchal, enchil (umgedeutet anklão m., anchala, enchila f., mhd. mnd. enkel, afries. onkel, onklēu, nhd. Enkel, ags. (umgedeutet) ancléow, engl. ankle, anord. ǫkkla (*ankulan-) ‘Knöchel am Fuß’; auch lat. angulus (womit aksl.ǫg(ъ) ‘Winkel’ urverwandt ist) ‘Winkel’ (daneben mit o-Stufe lat. ungulus, ungustus s. о.).

WP. I 60 f., WH. I 46, 49 f., Meringer WuS. 7, 9 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal