Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ambassade - ((gebouw van) gezantschap)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

De meeste etymologische woordenboeken brengen ambassade in verband met het Germaanse woord ambacht. In deze oratie:

  • M. Alinei (1963), Origin and History of the Italian Word ambasciata «embassy», Den Haag

verwerpt Mario Alinei deze etymologie, evenals de Provençaalse tussenvorm. Hij leidt het Italiaanse ambasciata af van een Osco-Umbrische vorm am+basci+are (Latijn in+bass+are) ‘naar beneden brengen’ en verwijst naar de transhumantie (begeleiding van het vee naar het winterverblijf aan de kust in de regio Abruzzen). De huidige betekenis van ambassadeur zou in de Karolingische tijd van het pauselijke naar het Frankische hof overgebracht zijn.

Zie voor een uitvoerige bespreking van dit voorstel:

De betreffende uiteenzetting staat op p. 430-434.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ambassade zn. ‘(gebouw van) gezantschap’
Mnl. ambasaet ‘gezant’ [1432; MNW-R], ambaciaet, ambasate ‘id.’ [1467-90; MNW]; vnnl. ambassaet, ambassade ‘id.’ [1556; MNW-P], ambassade ‘gezantschap’ [1631; WNT Supp.]; nnl. ambassade ‘gebouw van een gezantschap’ [1878; WNT].
Ontleend aan Frans ambassade [1387; Rey], dat teruggaat op middeleeuws Latijn ambasciata (ook spellingen met -ss-, -x-) ‘diplomatieke missie’, afleiding van het werkwoord ambasciare ‘een diplomatieke missie zenden’ [783; Niermeyer], afleiding van ambascia ‘missie, taak’ < Latijn ambactia ‘dienst, betrekking’, dat van Germaanse oorsprong is, zie → ambacht. De Middelnederlandse vormen met -t- zijn rechtstreekse Italiaanse ontleningen. Volgens een andere interpretatie stammen de Franse en de Italiaanse vorm uit Provençaals ambaisada ‘gezantschap’.
Oorspr. was een ambassaat (en het synoniem ambassadeur, zie hierna) de hoogste vertegenwoordiger van een koning of andere soeverein, die de volledige bevoegdheid had om namens deze te handelen in een ander land. Het jongere woord ambassade was de abstrahering hiervan, dus een ‘gezantschap, een zending van een of meer gezanten’. Toen het gebruikelijk werd zulke gezantschappen een vaste verblijfplaats in het buitenland te geven (19e eeuw), kon het woord ambassade vanzelf ook als aanduiding voor die plaats gaan dienen.
ambassadeur zn. ‘hoogste diplomatieke vertegenwoordiger van een land’. Mnl. (ambassadeur, spelling onbekend) ‘afgevaardigde’ [1416; MNHWS], ambassateurs ‘id.’ [1432; MNW-R], ambassadeurs, ambassadoren (mv.) ‘id.’ [1460-80; MNW-R]. Ontleend aan Frans ambassadeur < middeleeuws Latijn ambasator. In de loop van de 17e eeuw krijgt dit woord de overhand op het synonieme ambassaat.
Lit.: Francescato 1966, 483-484

EWN: ambassade zn. ‘(gebouw van) gezantschap’; de betekenis gezantschapsgebouw' (1878)
ANTEDATERING: de Engelsche amassade ('ambassade-gebouw') [1870; NvdD 14/6]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ambassade [diplomatieke zending] {1467-1490 in de betekenis ‘gezantschapsreis, gezantschap’} < frans ambassade < italiaans ambasciata < provençaals ambaissada, van middeleeuws latijn ambactia, uit het germ., vgl. ambacht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ambassade [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 228 [1969].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ambassade v., uit Fr. id., van Mlat. ambactiata, afgel. van Mlat. ambactia = bediening, een latiniseering van ambacht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

ambassade s.nw.
1. Hoogste diplomatieke verteenwoordiging. 2. Woning of kantoor van 'n ambassadeur.
Uit Ndl. ambassade (al Mnl. in bet. 1, 1625 in bet. 2).
Ndl. ambassade uit Fr. ambassade uit It. ambasciata uit Provensaals ambaissada uit Middeleeuse Latyn ambactia 'missie, opdrag'; blykbaar uit Germ. en hou direk verband met ambag (Van Dale 1997).
Vgl. ambag.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ambassade (Frans ambassade)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ambassade ‘gezantschapsgebouw’ -> Surinaams-Javaans ambasadhe ‘gezantschapsgebouw’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ambassade gezantschapsgebouw 1878 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal