Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alruin - (wortel van mandragora (Mandragora officinalis))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

alruin zn. ‘wortel van mandragora (Mandragora officinalis)’
Mnl. alruna ‘mandragora’ [1226-50; CG II, Pl.gloss.]; nnl. alrune, alruin.
Deze naam van de mandragora komt alleen in West-Germaanse talen voor en wordt vaak in verband gebracht met het bij Tacitus overgeleverde Albruna (Germania hoofdstuk 8), de naam van een Germaanse zieneres. Ondanks het voorkomen van deze naam (ook in jongere bronnen, bijv. ohd. Albrūna; oe. Ælfrūn), is deze afleiding zeer onzeker. De alruin komt in geen enkele oude Germaanse tekst voor met /b/ of /f/. Vandaar dat het meer voor de hand ligt om een samenstelling met → al in versterkende betekenis aan te nemen. Het probleem daarbij is dat al- gewoonlijk met een bijwoord of bn. wordt verbonden, bijv. in mnl. aldaer ‘daar’, ohd. alaniuwi ‘helemaal nieuw’, alafesti ‘zeer vast’. Indien het echter inderdaad om een samenstelling gaat, dan behoort die bij pgm. *rūnō- ‘geheim’. De naam houdt dan vermoedelijk verband met de toverkracht die aan de alruin werd toegeschreven.
Mnd. alrune; ohd. alrūn, alrūna (nhd. Alraun(e)); nfri. alrún; nde. alrune, nzw. alruna (< mnd. of mnl.). Bij het vermeende simplex pgm. *rūnō- horen: os. rūna ‘geheime beraadslaging’; ohd. rūna ‘geheim, gefluister, bespreking’; oe. rūn ‘gefluister, geheime beraadslaging; geheim’; on. rún ‘geheim, toverteken, rune’; got. rūna ‘mysterie, geheim’, zie verder → rune.

EWN: alruin zn. 'wortel van mandragora (Mandragora officinalis)'; de vorm alruin (z.j.)
ANTEDATERING: Alruyn [1543; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

alruin [mandragora] {alrune 1226-1250} vermoedelijk < oudhoogduits alruna, gezien Albruna, bij Tacitus voorkomend als profetes, wel van Alb [elf] en rune, dus die de geheimen van de elven kent; de wortel, waaraan in de Middeleeuwen magische kracht werd toegekend, lijkt op een mannetje. Het uitgraven gold als levensgevaarlijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

alruin znw. v., naam voor de mandragora, mnl. alrune (zelden), ws. < hd., vgl. os. ohd. alruna, waar het gebruikt werd voor de mandragora, die reeds in de klassieke oudheid als verdovingsmiddel in de liefdemagie gebruikt werd; de plant kenmerkte zich door de wortel, die gelijkenis met een menselijke gestalte vertoont. Dat was de reden haar een naam te geven, die met vrouwennamen als Albrūna (reeds bij Tacitus, Germ. 8 als naam van een zieneres vermeld) overeenkwam.

De naam alruin heeft dus de b verloren. Er is dus geen reden te denken aan een oorspr. betekenis ‘alle geheimen kennend’. — Zie verder: rune.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

alruin (mandragora), mnl. (zelden) alrȗne. Wsch. uit het Duitsch: ohd. os. alrȗna v. (nhd. alraun v. m.), eig. de naam van een voorspellenden geest, die volgens ’t volksgeloof uit den wortel gesneden werd. Het tweede lid is germ. *rȗnô- v., got. rȗna, on. rȗn, mnl. rȗne (zeldzaam), ohd. os. rȗna, ags. rȗn v. “geheim, geheim(zinnig)e beraadslaging, vertrouwelijk gesprek, runenstaafje”, waarbij ’t ww. mnl. rȗnen “fluisteren, in ’t geheim of geheimzinnig overleggen” (nog wvla. rȗnen “mompelen, brommen”), onfr. rȗnan. ohd. rȗnȇn (nhd. raunen), os. rȗnon, ags. rȗnian, got. *rȗnan (blijkens birȗnains v. “heimelijk besluit, complot”) “id.”; hiernaast on. rŷna “vertrouwelijk praten” en met ablaut on. raun v. “onderzoek” en ags. rêonian “fluisteren”. Verwant zijn ier. rȗn “geheim”, lett. runȃt “spreken”, gr. ereunáō, “ik spoor op, onderzoek”, eréō “ik vraag”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] alruin. Zie rune, ook voor lett. runât. ’t 1. lid is al: “alle geheimen kennend”? Over de alruin bestaat veel bijgeloof.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

alruin. Adde: owvla. (herb.) alrûna. Zie bij rune Suppl.
Zoals reeds in de Aanv. (Et. Wdb. 841) vermeld, wordt het eerste lid wel opgevat als al. De oorspr. bet. zou dan zijn ‘alle geheimen kennend’: onzeker. Bijzonderheden aangaande het over de wortel bestaande bijgeloof bij Schrader-Nehring s.v. alraun.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

alruin v., bij Kiliaan alrune, uit het Duitsch: Ohd. alrûna, Mhd. alrûne, Nhd. alraun, Go. (naar Jordanes) haliuruna: het eerste lid is wellicht adel = edel; het tweede waarschijnlijk rûna = geheim; het geheel kan beteekenen: waarzegster, toovergeest, een naam dien de plant verdient om haar wondere krachten en den vorm van haar wortel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

alruin (Duits Alraune)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

alruin ‘bepaalde plant, mandragora’ -> Deens alrune ‘bepaalde plant, mandragora’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds alruna ‘bepaalde plant, mandragora’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

alruin mandragora 1226-1250 [CG II1 Pl.gloss.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal