Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

allooi - (gehalte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

allooi zn. ‘gehalte’
Mnl. op datselve aloye ‘van dezelfde metaalsamenstelling’ [1355; MNW vierlinc], overdrachtelijk in vnnl. Neer-landers Van licht alloy [1615; WNT Supp.]. In vernederlandste spelling allooi [1734; WNT veredelen].
Ontleend aan Oudfrans aloi ‘metaalsamenstelling’ [1268; Rey], afleiding van het werkwoord aloier (Nieuwfrans allier ‘verbinden, vermengen’), ontwikkeld uit Latijn alligare ‘verbinden’, zie → alliantie.
Zowel in het Oudfrans als het Middelnederlands werd aloi, aloy voornamelijk gebruikt met betrekking tot metalen munten. Bij kwantificatie werd, meer specifiek, het gehalte aan zuiver metaal uitgedrukt. Overdrachtelijk gebruik van allooi, meestal bij personen, die bijv. van een laag, of hetzelfde allooi kunnen zijn, vindt ook in het Frans plaats. De oorspr. concrete betekenis is in het Nederlands vervangen door → legering.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

allooi [innerlijk gehalte] {aloy 1410} < frans aloi [goudgehalte, zilvergehalte, slag, soort], van aloyer [het wettig gehalte geven aan goud of zilver], nevenvorm van allier < latijn alligare [vastbinden] (vgl. alliage).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

allooi znw. o., mnl. alloy ‘menging van andere metalen met goud en zilver, wettelijk gehalte, dan ook die andere bijgemengde metalen zelf. Ontstaan uit fra. aloi (sedert de 13de eeuw), afgeleid van het ww. aloyer, een bijvorm van allier; losgemaakt uit de verbinding de bon aloi ‘van een goede vermenging’.

De verklaring uit à loi ‘volgens de wet’ is niet waarschijnlijk, daar men in de 13de eeuw in deze zin van loi nog niet gesproken zal hebben.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

allooi znw. o., mnl. al(l)oy o. “menging van andere metalen met goud en zilver, wettelijk gehalte, die andere metalen zelf”. Uit fr. aloi “wettelijk gehalte, allooi”, eig. à loi “volgens de wet”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

allooi o., uit Fr. aloi, gevormd uit à loi = naar de wet, zooals ’t behoort (z. -lei 3)

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

allooi (Frans aloi)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Allooi, mnl. aloy, alloy, van het fra. à loi, de uitdrukking voor het wettelijk gehalte van het edel metaal in de munten; dan werd het, vooral door den invloed van het fra. werkw. allier, ofra. alloyer (lat. alligare), waarvan ook alliage komt, meer en meer ook gebruikt in den zin van dit laatste woord. Overdrachtelijk werd het gebruikt in de bet. van gehalte, soort, vooral in ongunstigen zin, b.v. “van minder allooi”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

allooi ‘innerlijk gehalte’ -> Fries alloai ‘innerlijk gehalte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

allooi innerlijk gehalte 1360 [Pauw, Voorgeboden der stad Gent 78] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal