Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

alikruik - (familie van zeeslakken (Littorinidae))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

alikruik zn. ‘familie van zeeslakken (Littorinidae)’
Vnnl. alikruik [1634; WNT].
De betekenis van het element ali- in dit van oorsprong Zeeuwse woord is duister, maar kruik zou kunnen behoren bij Zeeuws krükel ‘slakkenhuis’ en kreukel ‘plooi’ (zie → kreuken), als men aan de vorm van het slakkenhuis denkt. Zo bestaat er ook Antwerps en Fries kreukel ‘eetbare zeeslak’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

alikruik [zeeslak] {1634} etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

alikruik znw. v., eerst in de 17de eeuw overgeleverd; het woord komt uit Zeeland, vgl. goerees æljekrükəl; terwijl het huisje van de slak krükel heet, vgl. antwerps kreukel ‘eetbare zeeslak’. — Het 2de lid kan een aanduiding zijn voor de gekronkelde vorm van het hoorntje der slak; het 1ste lid is onverklaard.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

alikruik znw., sedert de 17e eeuw. Ospr. een Zeeuwsch woord. De tegenwoordige Goereesche naam is æ̂ljekrükәl, het huisje van zeeslakken heet krükәl. In Antw. is kreukel = “eetbare zeeslak”. Oorsprong onbekend. Verwant met kreuk? kruik?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

alikruik v., in Zeeland alekreukel, te Luik haricreute, in verschillende dial. ook kreukel: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

alekrukel, arekrukel, kreukel, krukel zn. m.: alikruik, eetbare zeeslak, Littorina littorea. Kreukel is ook Wvl. 1634 alykruyken. Vgl. anekruuk op Urk (Flevoland), Luiks haricreute (Vercoullie). Alekrukel lijkt wel een dim. te zijn van alikruik en kr(e)ukel zou daar een verkorting van kunnen zijn. Maar juist voor dat eerste element ali/ale is er geen verklaring. Kr(e)ukel, zoals Ovl. kerrekole < Pic. caracol, Fr. caracole < Mfr. caracol, caragol < Sp. caracol ‘huisjesslak’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

alikreukel s.nw. Ook alikruik, alikruikel, arikreukel, arikruik en arikruikel.
1. Groot skulpslak wat op rotse in vlak water langs die Suider-Afrikaanse kus voorkom en as 'n smaaklike vleisgereg voorberei word. 2. Europese seeslak wat aan die kuste van die noordelike en noordwestelike dele van Europa en ook in Seeland voorkom.
Uit Ndl., gewestelik in Goerees (Seeland) in die vorm æljekrükel, wsk. kontaminasie van alikruik (1634), die alg. benaming, en kreukel (1775), die benaming in S.Nederland, o.a. Antwerps, asook in Seeland. Ndl. alikruik is 'n samestelling van ali en kruik, met kruik en kreukel wsk. n.a.v. die kronkelende vorm van die skulp se horinkie.
Ndl. ali (vgl. ook bg. streeksvorm ælje en die streeksvorme oel, uul 'pot') uit Romeins aula, olla 'pot', d.w.s. die skulp dien as pot, houer of blyplek vir die slak.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

alikreukel: – ali-/are-/ari- + -kreuk(el)/-kruik(el)/-kruk(kel) en minder gew. -kurk/-krekel (met klem op eerste of tweede lid) – , soort seeslak (spp. Litorina, fam. Litorinidae); Ndl. alikruik (sedert 17e eeu, ook in dial. wv., maar gew. beskou as Se.). Daar anl. h in Se. gew. wegval, word aan ongedok. Gr. (h)alikoχlos, “see slak” (uit Gr. (h)als, “see”, en koχlos, “slak met spiraalskulp”) by eerste lid gedink en (enigsins huiwerend) gesoek na verb. met Gr. visserst. v. d. Middellandse See, terwyl by tweede lid verb. gesoek word met ww. vorme kreukel/kruikel en kronkel (vanweë die vorm v. d. seeslak se skulp).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

alikruik ‘slak’ -> Frans dialect haricrûte; creûke, krütš ‘zeeslak’; Zuid-Afrikaans-Engels alikreukel, ollycrock ‘slak’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

alikruik slak 1634 [WNT] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal