Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

albatros - (soort stormvogel van het geslacht Diomedea)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

albatros zn. ‘soort stormvogel van het geslacht Diomedea
Nnl. Albatross ‘id.’ [1763; WNT Supp.].
Ontleend aan Engels albatross ‘id.’ [1769; OED], eerder albi-, albetross [1681; OED], wrsch. met volksetymologische -b- onder invloed van Latijn albus ‘wit’ (de kleur van de albatros) ontstaan uit ouder algatross, dat teruggaat op Spaans, Portugees alcatraz ‘pelikaan’. Gezien de beginlettergreep al- (zoals in → alcohol, → algebra enz.) gaat dat woord terug op een Arabisch woord; volgens sommigen op Arabisch al-ḡaṭṭās (met lidwoord al) ‘de duiker (soort watervogel)’, anderen denken aan Arabisch al-qādūs ‘de schoep van een waterrad’, waarmee de onderkaak van de pelikaan werd vergeleken. Naast ‘pelikaan’ werd het woord ook een aanduiding voor andere grote watervogels.
Lit.: Lokotsch 1927, nr. 631; Philippa 1991

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

albatros [zeevogel] {1763} < engels albatross of < frans albatros < portugees alcatraz, alcatruz < egyptisch-arabisch qādūs [pot van een waterrad]; het woord is mét het als zodanig niet herkende lidwoord al overgenomen. De betekenisovergang wordt verklaarbaar als men weet dat het woord aanvankelijk werd gebruikt voor de pelikaan, de vogel met de grote krop die hij met water lijkt te vullen. Het woord kwam onder invloed van latijn albus [wit], wat verantwoordelijk was voor de b.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

albatros znw. m., ‘stormvogel’ evenals ne. nhd. nfra. albatros < eng.-ind. albatross, dat zelf weer teruggaat op port. alcatruz, naast spa. alcaduz, arcaduz eig. ‘bronpijp; putemmer’ (de vogel zou genoemd zijn naar de vorm van zijn snavel).

Het spa. alcaduz gaat terug op arab. al ḳādūs ‘de kruik’. — Vlg. Corominas 1, 99 werd alcatraz bij de overname in het eng. een aanduiding voor een andere vogel en het woord werd aan de kleurnaam lat. albus ‘wit’ aangepast. — Vgl. ook Lokotsch Nr. 988.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

albatros znw., eerst nnl. = fr. albatros. Uit port. albatroz.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

albatros. Wellicht is het woord, wegens al- (zie alchimist) uiteindelijk van arab. oorsprong. Een tamelijk gewaagde verklaring in deze zin bij Lokotsch Et. Wtb. no. 988.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

albatros m., uit Fr. id., waarnevens arbalétrier, dial. a(l)baltriche = gierzwaluw, afl. van arbalète, wegens hun vorm in de vlucht (z. armborst).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

albatros s.nw.
Groot oseaanvoël met swempote, stewige snawel en lang, smal vlerke.
Uit Ndl. albatros (1763).
Ndl. albatros uit Eng. albatross of Fr. albatros uit Port. alcatraz, alcatruz uit Egipties-Arabies al 'die' en qadus 'pot van 'n watermeul', 'n benaming wat aanvanklik vir die pelikaan, wat lyk of hy sy krop met water vul, gebruik is. Die woord kom later onder invloed van Latyn albus 'wit' wat verantwoordelik was vir die b (Van Dale 1997). Volgens die EWN sou die woord ook teruggevoer kan word na Arabies al-gâttas 'duiker, soort watervoël'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

albatros (Engels albatross)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Albatros Algemene N naam voor alle soorten uit de familie Diomedeidae, waarvan er echter geen enkele tot de Nederlandse avifauna gerekend kan worden. Niettemin zou de Wenkbrauwalbatros = Malmokalbatros ↑ als dwaalgast in de Nederlandse kustwateren verwacht kunnen worden; mogelijk is hij zelfs al eens gesignaleerd.
ETYMOLOGIE N Albatros (Houttuyn 1763: Albatross) <E Albatross of <F Albatros (1751) <portugees alcatraz ‘Albatros, Pelikaan’ <portugees alcatruz ‘emmer aan een waterrad’ (vandaar > Pelikaan, met een krop die evenveel water kan bevatten als die emmer) <arabisch al qadus ‘de kruik’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

albatros ‘grote stormvogel’ -> Duits Albatros ‘grote stormvogel’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

albatros stormvogel 1763 [WNT] <Engels of Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

albatros, bij het golfspel: drie strokes onder de par.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal