Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

al - (geheel), (reeds)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

al vnw. ‘geheel’, bw. ‘reeds’
Onl. al, all-, bijv. al ertha ‘de gehele aarde’, alle criepinda ‘alle reptielen’ [10e eeuw; W.Ps.], (met overgang van a- naar o-) olla uogala (mv.) ‘alle vogels’ [11e eeuw; CG II, 130]; vnnl. al ‘reeds’ [1688; WNT].
Os., ohd. all (nhd. all(e)); ofri. all (nfri. al); oe. eall (ne. all); on. allr; got. alls; < pgm. *alla-. Daarnaast bestond een vorm *ala- als voorvoegsel in samenstellingen, zoals in got. alamans ‘mensheid’ (letterlijk ‘alle mannen’) en in de Germaanse stamnaam Alamanni ‘Alamannen’, waaruit ook Frans l'Allemagne ‘Duitsland’.
De vorm pgm. *alla- kan door assimilatie (zoals bij → vol) ontstaan zijn uit ouder *al-na- en dan als deelwoord kunnen horen bij de wortel pie. *h2el- ‘groeien’, zie → oud. Verwant zijn dan Oskisch allo ‘helemaal’; Oudiers (h)uile ‘heel’ (< *ol-io-).
De voornaamwoordelijke betekenis ‘geheel’ is het oudst en werd ook bijwoordelijk gebruikt, bijv. in hy is al vriend, of al vyand ‘hij is helemaal een vriend of helemaal een vijand’ [1784-85; WNT]. Deze betekenis is nog te vinden in de uitdrukking geheel en al [1805-08; WNT]. Verder komt al voor ter versterking of bevestiging in constructies als al dan niet, al doende en in bijwoorden zoals in aldaer ‘daar’ [1281; CG I, 585], aldra ‘weldra’ [1823; WNT], aldus ‘op deze manier, zo’ (bij de oude betekenis van dus) [1236; CG I, 20], → alleen, alhir ‘hier’ [1284; CG I, 765], allicht ‘hoogstwaarschijnlijk’ (als alligt [1804; WNT]), → als (uit alzoo), mnl. en vnnl. altemaal (zie → allemaal), mnl. altehant (zie → althans), en alreede, alree ‘reeds’ [1688; WNT]. De laatste betekenis ‘reeds’ komt ook bij al zelf voor en gaat vermoedelijk terug op uitdrukkingen als het licht brandt al ‘het licht brant helemaal’. Reeds in de Statenbijbel (1688) vindt men Ja, sy hebben al een weynigh begonnen ‘Ja, zij zijn reeds begonnen’; verder ook uitdrukkingen als Het is alles al op ‘het is allemaal helemaal/al op’.
In toegevende (concessieve) bijzinnen is het gebruik van al voortgekomen uit de betekenissen ‘helemaal’ en ‘reeds’ als bijwoord in zinnen als Of ick al duysent silverlingen op mijne handen mochte wegen ‘als ik al duizend zilverlingen op mijn handen zou mogen wegen’ [1688; WNT]. Later werd het voegwoord weggelaten en kwam al aan het begin te staan: Al treedt gij terug ... [1860; WNT].

EWN: al vnw. 'geheel', bw. 'reeds' (10e eeuw)
ANTEDATERING: al 'alle' in: Forsachistu ... allum dioboles uuercum 'verzaak je aan alle werken van de duivel?' [791-800; ONW]
Later: meynt ghy dat het Kasteel al uwe is? 'denkt u dat het kasteel al van u is?' [1634; iWNT] (EWN: 1688)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

al* [heel] {901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries al, oudengels eall, all, oudnoors allr, gotisch alls; eig. deelw. bij germ. ala- [voeden]; buiten het germ. litouws al- (in samenstellingen), oudiers oll [groot].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

al vnw., mnl. al (all-), oudwvla. olla (Schönfeld, Ts. 52, 1933, 1 vlgg.), vgl. onfr. os. ohd. ofri. al, oe. eall (ne. all), on. allr, got. alls.

Met ll uit ln; de vorm met l nog in westgerm. Ala-gabiae, Ala-teivia ‘namen van godinnen’; verder in samenstellingen als os. Ala-hwit, ‘geheel wit’, ohd. ala-wāri ‘volkomen waar’, ofri. along ‘eeuwig’, mnl. ale-waer, ael-machtich. — De etymologie die het woord met de wt. *al ‘groeien’ verbindt (vgl. oud) is niet geheel bevredigend. Veeleer bij oiers oll ‘groot, omvattend’, lat. allers ‘geleerd’ (IEW24-5).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

al bnw. vnw. bijw. voegw., mnl. al (all-), een germ. bnw. (vnw.), waarvan het substantivische neutrum adverbiaal gebruikt wordt. = onfr. ohd. al (nhd. all), os. ofri. al, ags. eall (eng. all), on. allr, got. alls “al”. Germ. *alla- zal wel een idg. *al-no- (of *ol-no-?), een deelw. van al- “groeien” (zie oud) zijn, misschien = lat. *allos (voor allers “doctus, eruditus” te lezen volgens Stolz Wiener Stud. 22, 312). Vgl. de stam varianten got. ala-mans mv. “de heele menschheid”, ala-kjo bijw. “gezamenlijk”, ohd. ala-wâri “geheel waar”, os. ala-hwît “geheel wit”, alung, ofri. along “eeuwig”, mnd. ālink, mnl. âlinc “geheel”, āle-waer, ael-machtich, lit. al-vënas “ieder” (*alo- of *olo-) en ier. uile “geheel, elk, al”, arm. ołj͐ “ge-heel” (*ol-jo-). — De conjunctie al “hoewel, indien ook al”, reeds mnl. (ook = “indien”) en ook mnd. en mhd., is uit het bijw. al ontstaan, waar dit in bijzinnen stond, die oorspr. ook zonder voegw. dezelfde betrekking uitdrukten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

al. Adde: owvla. olla mv. ‘alle’ (Schönfeld Tschr. 52, 1 vlgg.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

al bijv., bijw., vw. (omnis), Mnl. al, Onfra. & Os. al + Ohd. al (Mhd. al, Nhd. all), Ags. eall (Eng. all), Ofri. al, On. allr (Zw. all, De. al), Go. alls: Ug. *allaz, geassim. uit *alnaz + Arm. olj, Oier. uile (d.i. *oljos). Daarnevens bestaat een vorm met -w- suffix: Ug. *alo- (z. aal 1), alleen in afleid. en samenst. voorkomende. Geen verband met Gr. hólos (z. zalig). — Het heeft versterkende kracht in alleen, alreeds, althans, alzoo; — met de bet. reeds is het verkort uit alreeds.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

alreeds bw.
Versterkte vorm van reeds.
Uit Ndl. alreeds, alreets (1615) 'al, reeds', en lg. uit al as versterkende bw. en reeds. Hoewel dit lyk soos 'n herhaling van dieselfde begrip, omdat al ook 'reeds' beteken, is dit daarom des te meer geskik om 'n versterking in bet. uit te druk. Die vooroordeel teen alreeds as toutologie in Afr., het mntl. gespruit uit die wsk. invloed van Eng. already. Dit het gelei tot die propagering van die gebruik van die hiperkorrekte óf al óf reeds in Afr., i.p.v. alreeds. Die teendeel geld egter: ter wille van beklemtoning of versterking word S.A.Eng. already onder invloed van Afr. al oortollig gebruik. Volgens Silva (1996) word already baie meer gereeld gebruik as wat 'n Engelsman dit sal gebruik en word dit dikw. onnodig aan 'n sin gekoppel.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

al’le: alle die, al die (zowel m.b.t. mensen als tot andere zaken). Het heeft gelekt in vier klassen van de school. Alle die kinderen hebben vrij gekregen. - Etym.: Vgl. in veroud. N ‘alle de’, bijv. bij Hartsinck (1770: 28): ‘alle de jonge Meisjes’.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

al. In de Middelnederlandse periode werden als eedformules gebruikt bi al dat God leven liet ‘bij alles wat God liet leven’, bi al dat levet ‘bij alles wat leeft’ en bi al dat God hevet weert ‘bij alles wat God waardevol vindt’. Deze eden konden ijdel gebruikt worden en in uitroepen veranderen. Al wordt gebruikt als uitroep van verbazing. Wij kennen nog alle duivels! en alle mensen als gewone uitroep van ongeloof of ergernis. Soms wordt alle mensen versterkt tot allemensenkinder of allemensennogaantoe. Ook alle Goden! en alle (Gods lieve) heiligen! zijn nog hedendaags.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

al ‘onbepaald voornaamwoord’ -> Petjoh al ‘uit, afgelopen’; Negerhollands al, alda ‘onbepaald voornaamwoord’; Sranantongo ala ‘onbepaald voornaamwoord’; Aucaans ala ‘onbepaald voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

al* onbepaald voornaamwoord 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

al* bijwoord van tijd: reeds 1634 [WNT Suppl]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

al-1, ol- Pron.-St. ‘darüber hinaus’, adjektivisch al-no-s, ol-no-s

Lat. uls ‘jenseits’, *ulter, -tra, -trum ‘jenseitig’ (ultrō, ultra), Komp. ulterior, Sup. ultimus = osk. últiumam ‘ultimam’; alat. ollus ‘ille’ (*ol-no-s, vgl. unten ir. ind-oll und slav. *olnī), jünger olle, ollī ‘tunc’, ollīc ‘illic’; dehnstufig ōlim ‘einst’ (wohl nach im, exim umgestaltetes und mit ai. par-āri ‘im drittletzten Jahr’ [vgl. πέρ-υσι] gleichzusetzendes *ōli, Lokativadverb, auf das auch die Glossen olitana ‘vetusta’, olitinata ‘veterata, antiqua’ - ō oder ? - zurückweisen können), umbr. ulo, ulu ‘illo, illuc’; durch Einfluß von is, iste usw. wurde ollus, olle zu ille umgefärbt.
Slav. *olnī (idg. *oln-ei) = aksl. lani, čech. loni, poln. loni ‘im vorigen Sommer, im vorigen Jahre’ (‘in jenem Jahr’, vgl. lat. ollī ‘tunc’).
Die Bed. von ir. alltar, allaid (s. unten) läßt auch Verwandtschaft von ai. áraṇa- ‘fern, fremd’ (= av. auruna- ‘wild’?), árād ‘aus der Ferne’, ārḗ ‘fern’ als möglich erscheinen. Hierzu auch vielleicht ai. arí ‘Fremder, Fremdling’, ar(i)yá- ‘zum Fremden gehörig’ (vgl. ahd. eli-lenti ‘fremdes Land’), dann Subst. ‘gastlich, Herr’, dazu ā́r(i)ya- ‘zu den ar(i)yá- gehörig, wirtlich’, daher VN ‘Arier’, āryaka- ‘ehrwürdiger Mann’, aryamáṇ- n. ‘Gastlichkeit’, m. ‘Gastfreund’; av. airyō (= ārya), apers. āriya (= ariya), arisch’, av. airyaman ‘Gast, Freund’, npers. ērmān ‘Gast’, dazu der sarmat. VN ᾽Αλανοί (osset. *alan), osset. ir ‘Ossete’, iron ‘ossetisch’ (P. Thieme1), Der Fremdling im Rigveda, Abb. f. d. Kunde d. Morgenl. XXIII 2, 1938; Specht KZ. 68, 42 ff.); air. aire (*arios) und airech ‘Adliger, Freier’ können zur Präp. air- ‘vor’, also ‘an erster Stelle stehend’, gehören (Thurneysen ZCP. 20, 354); der sagenhafte ir. Stammvater Е́remón ist eine gelehrte Neubildung zu Ériu ‘Irland’. S. auch unter ari̯o- ‘Неrr, Gebieter’.
Air. oll Adj. ‘amplus, groß, umfassend’, eigentlich ‘über (das Gewöhnliche) hinausgehend’ (formell = lat. ollus, idg. *olnos), Komp. (h)uilliu ‘amplius’, Adv. ind-oll ‘ultra’, woraus vielleicht auch innonn, innunn ‘hinüber’ (mit Assimilation unter Mitwirkung von inonn ‘derselbe’; Thurneysen KZ. 43, 55 f.; anders Pedersen KG. II 195), ol-chen(a)e ‘außerdem, sonst’, eigentlich ‘jenseits (und) diesseits davon’; ol-foirbthe ‘plusquamperfectum’, oldāu, oldaas ‘als ich, als er’, eigentlich ‘über (das) hinaus, was ich bin, was er ist’, inaill ‘sicher’, eigentlich ‘jenseits befindlich’ (davon inoillus ‘Sicherheit’; inuilligud ‘Sicherung’; mit ol(l) ‘ultra’ deckt sich vielleicht ol ‘inquit’ als ‘ultra, weiter’, ursprüngl. beim Bericht über eine fortgesetzte Rede). Die Konjunktion ol ‘weil’ hält Thurneysen Grammar 559 dagegen für verwandt mit cymr. ol ‘Fußspur’.
Daneben mit a: air. al (mit Akk.) jenseits, über - hinaus’ (Vereinfachung aus *all im Vorton), Adv. tall (*to-al-nā) ‘jenseits, dort’, anall ‘von jenseits, vondort, herüber’, mit suffigiertem Pron. der 3. Person alle, allae, jünger alla ‘jenseits’ (erweist ursprüngliche Zweisilbigkeit auch der nicht mit Pronominalsuffix versehenen Präpositionalform, s. Thurneysen KZ. 48, 55 f., also nicht aus endungslosem idg. *ol oder *al); Ableitungen: alltar ‘das Jenseits’, auch von ‘jenseits gelegenen wilden Gegenden’, alltarach ‘jenseitig’.
Gall. alla ‘aliud’, allos ‘zweiter’ (Thurneysen ZCP. 16, 299), VN Allo-broges = mcymr. all-fro ‘verbannt’ (zu bro ‘Land’), all-tud ‘Ausländer’, acymr. allann, ncymr. allan ‘draußen’; air. all-slige ‘zweites Aushauen’.
Got. alls, aisl. allr, ags. eall, ahd. all ‘all’, daneben im Kompositum germ. ala- (ohne -no-Suffix) in agerm. Matronennamen Ala-teivia, Ala-gabiae usw., got. ala-mans ‘alle Menschen, Menschheit’, ahd. ala-wāri ‘ganz wahr’ (nhd. albern); vgl. air. oll-athair (Beiname des ir. Göttervaters Dagdae ‘der gute Gott’) = anord. al-fǫðr (Beiname des Odin), ‘Allvater’.
Lat. alers, allers ‘doctus, sollers’ nach Landgraf ALL. 9, 362, Ernout Él. dial. lat. 104 aus *ad-ers, *allers (Gegensatz zu iners).
1) Wenn Thieme (aaO. 159 f.) richtig das verstarkende Präfix gr. ἐρι- (Red.-Stufe ἀρι-) hierherstellt, z. B. ἀρί-γνωτος ‘leicht (dem Fremdling) erkennbar’, müßten ai. arí- usw. allerdings auf idg. *er- zurückgehen. Thieme stellt ferner hierher ai. sūrí- ‘Herr’ als su-ri- ‘gastlich’ und ri-śā́das ‘Sorge für den Fremdling tragend’.

Von einern Adverb *ali ‘dort, jeweils’ (anders Debrunner REtIE. 3, 10 f.) sind abgeleitet:
ali̯os ‘anderer’:
arm. ail ‘anderer’;
gr. ἄλλος ‘anderer’ (kypr. αἴλος), n. ἄλλο, vgl. ἀλλοδ-απός ‘von anderswoher, fremd’ (= lat. aliud, Formans wie in lat. longinquus), dazu ἀλλήλων usw. ‘einander’, ἀλλάττω ‘mache anders, verändere’, ἀλλαγή ‘Veränderung, Wechsel, Tausch, Verkehr’: ἀλλότριος ‘einem andern gehörig, fremd’, aus einem dem ai. anyátra ‘anderswo’ entsprechenden Adverb;
lat. alius = osk. allo ‘alia’, n. aliud = gr. ἄλλο, dazu vom Adverb ali: aliēnus ‘fremd’ (aus *ali-i̯es-nos), ali-quis, ali-cubi usw.; Komparativ alter, -era, -erum ‘der eine von zweien’ = osk. alttram ‘alteram’ (aus *aliteros-), bei Plautus auch altro-; in altrinsecus, altrōvorsum ist die Synkope durch die Länge des Wortganzen bedingt; hierher auch alterāre, adulter, alternus, altercāri;
gall. alios (Loth RC. 41, 35), air. aile (*ali̯os), n. aill (aus adverbialem all aus *al-nā; das palat. l stammt von aile), cymr. ail, bret. eil (aus *eliüs, Komparativ *alii̯ōs), gedoppelt air. alaile, araile, n. alaill, araill, mcymr. usw. arall, Pl. ereill (das ll aus dem Adverb all);
got. aljis ‘anderer’, sonst nur in Zusammensetzungen, wie as. eli-lendi n. ‘fremdes Land’, ahd. eli-lenti ds. = nhd. ‘Elend’, got. alja-leikō ‘anders’, aisl. elligar, ellar, ags. ellicor, elcor ‘sonst’, ahd. elichōr ‘ferner’, und in Adverbien, wie ags. elles, engl. else ‘anders’, anord. alla ‘andernfalls’ usw.; eine Komparativbildung *alira ist ags. elra ‘der andere’;
toch. A ālya-kǝ, В alye-kǝ „ἄλλος τις” (*ali̯e-kǝ, Pedersen Groupement 26, Tocharisch 117); unklar ist das Fehlen der Palatalisierung in A ā̆lakǝ ‘anderer’, ālamǝ ‘einander’, В āläm ‘anderswo’, aletste ‘Fremder’;
ostiran. usw. hal-ci ‘quicumque’.

WP. I 84 ff., WH. I 30, 32 f., Feist 33 b, 39 a, Schwyzer Gr. Gr. I 614.
Über einen allfalligen idg. Lautwandel von *ani̯os zu *ali̯os s. Debrunner REtIE. 3, 1 ff., über angebl. pejorativen Charakter des a s. Specht KZ. 68, 52, Die alten Sprachen 5, 115.Über ani̯os s. unten S. 37 (an2).

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal