Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

akkefietje - (onaangename taak; kleinigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

akkefietje zn. ‘onaangename taak; kleinigheid’
Nnl. akefietje ‘onaangename klus’ [1836; WNT].
Ontleend aan Fries akkefyt, akkefy(t)sje ‘baantje, (onaangenaam) werkje; voordelig zaakje’. Dit zou volgens een verklaring teruggaan op aquavitje ‘brandewijntje’ < Latijn aqua vītae ‘levenswater’, waaruit ook Zweeds, Deens akvavit ‘soort jenever’. Het verband tussen de Latijnse en de Friese betekenis is dan niet echt duidelijk. Bij een andere verklaring wordt uitgegaan van een Friese ontlening aan Latijn officium, dat onder meer ‘ambt, taak’ betekent. Semantisch gezien is dit plausibeler. Om de vorm te verklaren moet men dan volksetymologie aannemen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

akevietje, akkefietje znw. o., vgl. fri. akkefyt o. ‘voordelig baantje’, akkofytsje ‘idem’, akkefysje, ‘baantje, (onaangenaam) werkje’. — < aquavitje ‘brandewijntje’ < laat-lat. aquavita voor aqua vitae ‘levenswater, vgl. hd. (16de eeuw) aquavit, de. akevit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

akefietje znw. o., ook met kk en met v geschreven. Nog niet bij Kil. Ook fri. akkefyt o. “voordelig baantje, voordeeltje”, akkefytsje “id.”, akkefysje “baantje, werkje, vooral onaangenaam”. Terecht verklaard uit *aquavît-je “brandewijntje”: vgl. laat-lat. aquavita voor aqua vîtae, hd. (16. e.) aquavit m., pomm. akviit, de. akevit “brandewijn” (fr. eau de vie).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

akefietje o., volgens de eenen van ake en fi, twee tuss., die walging uitdrukken; volgens anderen uit akevit, Duitschen en Deenschen vorm van Mlat. aquavita, d.i. aqua vitæ = water des levens (eau-de-vie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

akkevietje (B), zn. o. dim.: kleinigheidje, alledaags feitje. Ndl. akkevietje, ak(k)efietje ‘onaangename taak, boodschap, opdracht, lastig werk dat men niet graag of met tegenzin doet; karweitje in het algemeen; geval, zaakje, kleinigheid’; Fri. akkejyt ‘voordelig baantje’, akkojytsje ‘voordelig baantje’, akkejysje ‘baantje, (onaangenaam) werkje’; Zeeuws akkevietje ‘uitgangetje, pretje’, Middelburgs ‘ruzie’. Meestal verklaard uit aquavitje ‘brandewijntje’, een verkleinvorm van aqua vitae ‘levenswater, eau de vie’, D. Aquavit, De. Akevit.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

akkefietje (van Latijn aquavita)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Akevietje (akkevietje, akefietje enz.), dikwijls met leelijk, mooi of een ander b.nw. ervoor, = ’n koopje, ’n tegenvaller, ’n baantje. Waarschijnlijk van aqua vita, fr. eau de vie, levenswater = brandewijn. In Duitschland is Aquavit nog = brandewijn op kruiden getrokken met suiker. Een akevietje is dus eigenlijk een borreltje; ’t is dus ironisch gebruikt, zooals ook ’t geval is bij de uitdrukking: ’t is een hapje, ’t is een lekker hapje! (Stoett.)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

akkefietje karweitje, zaakje 1808 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

67. Een akefietje.

Onder een akefietje (akkefietje, akkevietje, akevietje) verstaat men iets onaangenaams of lastigs, dat iemand wordt opgedragen of dat hij te verrichten heeft; een onaangename taak, een lastig werk, een moeielijke boodschap, iets dat men ongaarne en met weerzin verricht. In het Friesch akkefytsje, akkefysje, baantje, werkje, vooral onaangenaam; akkefyt, voordeeltje; in Drente heeft het ook de bet. van kleinigheid naast akkefietjen, kleinigheden afdoen (Bergsma, 8). Van de afleidingen, is die welke in het Mag. v. Ned. Taalk. I, 46 gegeven wordt, de meest waarschijnlijke. Akefietje zou eene verbastering zijn van aqua vita, laatlat. voor aqua vitae, brandewijn, fr. eau de vie. In Duitschland is aquavit in de volkstaal in gebruik voor brandewijn, op kruiden getrokken en met suiker verzoet. Ook in Pommeren zegt men akviit en het Deensch kent akevit. Bij ons komt het voor bij Langendijk II, 260: F.. Geeft aqua vitae! K. Geeft jannéver!; en in Van Effen's Spectator IV, 159. Een aquavit-je, akevietje, akefietje zal dan eigenlijk een slokje, een zoopje, een drankje beteekenen, en een leelijk (of mooi) akefietje spreekwoordelijk en ironisch gezegd zijn van een werk van onaangenamen of lastigen aard. Zie het Ndl. Wdb. II, 2; Lvl. 28; 101; Dievenp. 85; Uit één pen, 110; P.K. 103; Jord. II, 17; 115, II, 360: knok-akkevietje, vechtpartij. Molema, 4 a; Bouman, 3; Van Weel, 84 en vgl. ‘dat is ook een hapje!’ welk hapje eveneens ‘borrel’ kan beteekenen, en een brommeken, dat bij Ogier 183 voorkomt in den zin van een buitenkansje, en eigenlijk een borreltje beteekent.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal