Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

akelig - (onaangenaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

akelig bn. ‘onaangenaam’
Vnnl. in aecklich duijster hol [ca. 1610; WNT]. Daarnaast ackelick ‘ontzettend’ [1588; Kil.], dat als akelijk ook nu nog in dialecten voorkomt.
Afleiding met → -ig van het zn. mnl. akel ‘leed, onrecht, nadeel’ [1368; MNW].
Met akel zijn wellicht cognaat: oe. acol, acul ‘opgewonden, angstig’. Verder zouden hierbij kunnen horen: mnd. eken, aken ‘etteren’; oe. acan ‘pijn lijden’, æce ‘pijn’ (me. aken, resp. ache, eche; beide ne. ache met spelling van het zn. en uitspraak /k/ van het werkwoord); < pgm. *akan-.
Verdere verwantschappen zijn onzeker. Aanknoping aan pie. *agos ‘fout, schuld’ zoals in Grieks ágos ‘zware schuld’ en Sanskrit āgas- is denkbaar als men een wortel *ag- ‘pijn doen’ aanneemt (IEW 8). Beter is misschien het vermoeden van Kluge dat men aan *ag- ‘rijden, drijven’ moet denken, omdat er een betekenis ‘drijven, trekken’ als term voor bepaalde pijnen kan worden gebruikt.
Lit.: Beitr.Ae. 12

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

akelig* [naar] {aecklich ca. 1615} van verouderd akel [leed, onrecht, schade, hekel, tegenzin], verwant met oudengels æce [pijn] (engels ache) en vermoedelijk met grieks agos [bloedschuld].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

akelig bnw., waarnaast oudnnl. akelik, akellijk. — Afgeleid van mnl. akel m. ‘leed, verdriet, nadeel’, vgl. oe. acan ‘pijn doen’ (ne. ache), ece m. ‘pijn’, ndd. äken ‘pijn doen’. — Daarnaast bij Kiliaen: ackelen ‘schromen’, ackelick ‘afschuwelijk’, met verdubbeling van de cons. als in akker, appel.

Er zijn twee mogelijkheden ter verklaring 1. > *agos ‘schuld, zonde’, vgl. gr. ágos ‘bloedschulď, oi. anāgas ‘schuldloos’; IEW 8 denkt aan een oorspr. bet. ‘pijn doen, beschadiging’ en verwijst naar nnl. akelig. — 2. < *ěg- ‘gebrek’, vgl. lat. egeo ‘gebrek hebben’, on. ekla ‘gebrek’(AEW 99). Minder ws. wijl de betekenis slecht past.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

akelig bnw., waarnaast oudnnl., nog dial (bijv. Dordsch, Bommelsch, vel., saks. streken, ook fri.) akelik, akellijk. Afl. van het zeldzame mnl. ākel m. “leed, verdriet, nadeel” (ā en niet â blijkens achterh. akelik), een vooral noordndl. woord, verwant met ags. acan “pijn doen”, ece m. “pijn” (eng. ache), ndd. äken “pijn doen”. Als de a = idg. a is, kunnen gr. ágos o. “zonde, misdaad”, oi. ā́gas- o. “zonde, schuldige daad” verwant zijn. Minder wsch. is idg. o, ablautend met e in ohd. ëkorôdo “slechts”, ëkrôdi, ëckerôde “dun, zwak”, on. ëkla v. “gebrek”, ëkla bijw. “nauwelijks”, lat. egeo “ik heb gebrek”. Kil. kent akel, akelig niet, wel ackelen “schroomen, horrere”, ackelick “horridus”, beide met de toevoeging “vetus”. De ck moet uit de vormen met direct op de k volgende l verklaard worden; vgl. voor ’t geval dat de geminata op de wgerm. periode teruggaat appel, akker, — voor ’t waarschijnlijkere geval dat zij jonger is vgl. monnik.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

akelig. Schrap het on. bijw. ëkla ‘nauwelijks”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

akelig bijv., in ’t Nnl. afgel. van Mnl. akel = leed; men vindt in ’t Ags. acol = bang, acan = zeer doen (Eng. to ache) en æce = zeer (Eng. ache).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

akelek (bn.) afschrikwekkend; Nuinederlands ackelig <1615>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aaklig b.nw. Ook akelig.
1. Onaangenaam. 2. Verskriklik. 3. Ongesteld. 4. Pynlik.
Uit Ndl. aaklig, 'n wisselvorm van akelig (1615) wat in die taal van digters voorkom. Ndl. akelig is 'n afleiding met -ig van Mnl. akel 'leed, nadeel, verdriet, pyn'. In Afr. kom gebruiklike Ndl. akelig tans selde voor, terwyl aaklig die alg. vorm is. Volgens Du Toit (1908) word aaklig ook soms as aaklik uitgespreek.
Vgl. Eng. ache.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aaklig: – aaklik – ; Ndl. akelig/akelik; in Ndl. en Afr. het analv. op -ik blb. lae frekw., maar hoë in Ndl. dial.; hou verb. m. veroud. akel, “leed, nadeel, pyn, verdriet”, mntl. ook m. hekel, “kritiseer”, verder m. Eng. ache (misk. ook ail en heckle) en Du. (Hd. en Pd.) ekel.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

aaklik bnw., byw. In Afrikaans nog dikwels gehoor naas aaklig. Die vorm aaklik kom in die 17de-eeuse Ndl. skryftaal betreklik veel voor, is egter in die loop van die 18de eeu heeltemal verdring (Ndl. Wdb. II, 4, 5). In die hedendaagse dialekte is die vorm nog baie verbreid en word opgegee deur Dek 10. Van Weel 84, Opprel 44, Van de Water 51. Van Schothorst 96. Gunnink 95. Ter Laan 629. Bergsma 8. Gallée 1. Houben 79: ook Dijkstra 19. Vir Suid-Holland is nog twee opgawes te noem. nl. Taal- en Letterbode V. 186-201 (Sliedrechts) en De Taalgids IV, 27 (Dordrecht).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Akelig. In een keur (strafbepaling) van Dordrecht (1400) komt ’t woord akel voor als kwelling. Blijkbaar is dit woord een afleiding van aken, Angelsaksisch: acan = kwellen, zeer doen; in ’t Nederduitsch: äkan = zweren, van een wonde. Hieruit ontwikkelde zich de bet. van: afschuw, walg, evenals hekel. Zoodoende kreeg akelig de bet. van: afkeerverwekkend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

akelig ‘naar’ -> Papiaments † akelik ‘naar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

akelig* naar 1615 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

agos- ‘Fehl, Schuld, Sünde’

Ai. ā́gas- n., ablautend mit gr. ἄγος ‘schwere Schuld, Blutschuld’; ai. ánāgas-, gr. ἀναγής ‘schuldlos’; ἀγής, ἐναγής ‘verflucht’, ἄγιος· μιαρός.
Diese entschieden ins sittliche Gebiet gewendete Bed. ‘Schuld, Frevel’ ist vielleicht aus sinnlicherem ‘Schaden, Wehtun’ entwickelt: ags. acan, ōc ‘schmerzen’ (engl. ache), ndd. äken ‘schmerzen, eitern, beulen’, mndl. akel ‘Leid, Unrecht, Schade’, nfries. akelig, aeklig ‘horridus, miser, vehemens’.

WP. I 38.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal