Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ahorn - (esdoorn (Acer))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ahorn zn. ‘esdoorn (Acer)’
Mnl. ahorn “platanus” [1479; Claes 1994a]; vnnl. Platanus. ein ahoyrn [1515; Murmellius].
Ontleend aan Duits Ahorn, dat de vorm mnl. maser ‘knoest in (ahorn)hout’ (als bn. maserijn ‘ahornen’) heeft verdrongen. Kiliaan [1599] noemt aenhorn nog “Germ., Sax., Sica” (waarmee hij de oostelijke, Duitsgetinte dialecten aanduidt), dus niet zuiver Nederlands.
Os. āhorn, ohd. āhorn; < pgm. *ēhurna-. Vermoedelijk gaat het om een met -n- uitgebreide vorm naast pgm. *ēhura-, dat in nhd. dial. Are ‘ahorn’ en nde. år voorkomt.
Verwant zijn wrsch. Latijn acer ‘ahorn’, acernus ‘van ahorn’; Grieks ákastos (< *akr-sto-?) (een glosse bij Hesychios), ákarna ‘laurier’. Het zou in dat geval kunnen behoren bij een wortel pie. *akr-, *aker- ‘punt’ (bij *ak-, *ok- ‘spits’). De boom zou dan genoemd zijn naar de puntige vorm van de bladeren. Wrsch. is het woord echter niet Indo-Europees.
Lit.: W. Mitzka (1950) Der Ahorn, Giessen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ahorn [esdoorn] {1479} < hoogduits Ahorn, verwant met grieks akastos, latijn acer [ahorn].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ahorn znw. m., sedert Kiliaen aenhorn < hd. ahorn, vgl. os. mnd. mhd. ahorn, vgl. gr. ákarna ‘laurierboom’ (< *akṛ-) naast de. ær (< *ahira), lat. acer (< *aker-).

De boom heet mnl. bnw. maserijn, afgeleid van maser ‘knoest in (ahorn) hout’; os. masur ‘tuber’, ohd. masar ‘houtknoest’, oe. maser ‘knoest’, on. mǫsurr ‘ahorn’, ook ‘gevlamd hout’. — Indien van wt. *mas ‘vlek’ zie: mazelen. — Maar Lidén, PBB 15, 1889, 519 gaat uit van betekenis ‘knoestig hout’ en verbindt daarmee gr. áor (< *ṃs-or) ‘zwaard’. — In Plaatsn. Lonneker en Lijndonk kan een ander woord voor de ahorn steken: germ. *hluniz, vgl. mnd. lönenholt, nnd. löne, läne, nhd. lenne, lehne, oe. hlyne, on. hlynr, vgl. mlat. clenus ‘ahornsoort’ (AEW 240). Volksetymologisch daaruit ontstaan ohd. mhd. līnboum, md. leinbaum. — Het woord ahorn wordt gebruikt in de Achterhoek, Noord-Limburg, Utrecht en Walcheren, terwijl in Vlaanderen het woord herne voorkomt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ahorn znw., sedert Kil., die aenhorn (“Germ. Sax. Sic.”) opgeeft. Uit hd. ahorn m. Slav. *(j)avorŭ “plataan” (alleen het bnw. avorovŭ komt obg. voor) is uit het Ohd. ontleend, lit. aornas “ahorn” uit het Nhd. Ohd. âhorn m.<idg. *êkṛnos, een oorspr. bnw., ablautend met lat. acer “ahorn”, acernus “ahornen”, gr. ákastos* ē sphéndamno; (Hes.) De. ær “ahorn” < oergerm. *ăhira-. Het Mnl. (ook Kil.) kende ’t bnw. māserijn, -en “ahornen” (maserinus “ahornen” bij Venantius Fortunatus is van germ. oorsprong), afgeleid van māser m. “knoest in (ahorn)hout”; dit = ohd. masar m. (nhd. maser v.) “id.”, os. masur m. “tuber”, ags. maser m. “knoest”, on. mǫsurr m. “ahorn”. Men heeft dit nomen wel gecombineerd met de woordfamilie van mazelen. De andere germ. en idg. benamingen van acerineae ontbreken in het Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ahorn m., uit Nhd. ahorn, Ohd. âhorn + Lat. acer met het bijv. acernus, Gr. ákastos, beide = ahorn. Lit. aornas, Ru. javor komen uit het Hgd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ahorn: naam v. versk. booms., o.a. die esdoring (spp. Acer, fam. Aceraceae); Ndl. ahorn (reeds by Kil) ontln. aan Hd. ahorn, van onseker herk., misk. verb. m. Lat. b.nw. acernus afg. v. acer, “esdoring”, of m. Lat. ornus, “bergesdoring”.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

esdoorn of ahorn
Gewone esdoorn | Acer pseudoplatanus L.
Noorse esdoorn | Acer platanoides L.
Spaanse aak | Acer campestre L.

De boomnamen Es en Esdoorn bevatten het gemeenschappelijke woord es, waarvan de etymologische verklaring niet met zekerheid gekend is. Voor het woord doorn in de naam Esdoorn is de verklaring te vinden in de wetenschappelijke geslachtsnaam Acer, die scherp of spits betekent en die verwijst naar de scherpe of “doornachtige” uiteinden van de bladlobben van de min of meer diep ingesneden enkelvoudige bladeren van de meeste Esdoorn-soorten. We zien dat onder meer goed bij de gespleten bladeren van de Noorse esdoorn. De Duitse naam van die boom is trouwens Spitz-Ahorn, waarin dus duidelijk op de spitse of scherpe uiteinden van de bladlobben verwezen wordt.

Er wordt ook beweerd dat de wetenschappelijke geslachtsnaam Acer eigenlijk sterk betekent, wat dan zou verwijzen naar het harde hout van die bomen. En daarmee in verband zou doorn in de Nederlandse naam ook verwijzen naar het stevige hout waarmee vroeger lansen met een harde, scherpe punt gemaakt werden.

De Esdoorn heet in het Duits Ahorn en in oudere Nederlandse geschriften treft men de naam Ahorn ook wel eens aan, terwijl hij nu nog zelden gebruikt wordt. Bij Cornelis Kiliaan in zijn Etymologicum Teutonicae Linguae (1599) staat de naam Aen-horn. j. [d.i.] ahorn, met als verklaring Platanus, een begrijpelijke vergissing, want de bladeren van de Gewone esdoorn lijken goed op die van de Plataan. De oorsprong van de naam Ahorn is zeer speculatief. Ahorn zou afgeleid zijn van de Griekse a, in de betekenis van zeer, en het Griekse woord keras, d.w.z. hoorn, wat Ahoorn of Ahorn oplevert en waarmee het hout van de Esdoorn aangeduid wordt dat zo hard als hoorn is.

De Gewone esdoorn heet zo om deze soort te onderscheiden van andere Esdoorn-soorten, die al van Carl Linnaeus (1707-1778) hun wetenschappelijke naam kregen. Voor Acer platanoides schrijft Linnaeus in zijn Species plantarum (1753): “Habitat in Europa borealis”, wat betekent: “Komt voor in Noord-Europa”, en daarmee is de herkomst van de Nederlandse naam Noorse esdoorn verklaard.

Voor de Spaanse aak of Acer campestre vermeldt Linnaeus in Species plantarum (1755): “Habitat in Scania & australiori Europa”, d.w.z. “Komt voor in Zweden en in Zuid-Europa” of “Komt voor van Zweden tot Zuid-Europa” en dat gaf wellicht aanleiding tot de aanduiding Spaans in Spaanse aak. Aak is vermoedelijke afgeleid van aecker, wat eikel betekent, de vrucht van de aeckerboom of eikeboom en in de volksmond werd de Spaanse aak wellicht vroeger als een soort Spaanse eik beschouwd. Voor de Spaanse aak gebruikt men veelal ook de naam Veldesdoorn, afgeleid van het Latijnse campestre, dat op het veld groeiend betekent.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ahorn (Duits Ahorn)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ahorn esdoorn 1479 [Claes] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal