Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afzouten - (afschepen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afzouten* [afschepen] {1635} wil eigenlijk zeggen ‘iem. met zout (pekel) insmeren en wegjagen’, tegenover iem. ‘inzouten’ (vgl. inpeperen).

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

65. Iemand afzouten,

d.w.z. iemand afschepen. Deze uitdr. die sedert de 17de eeuw voorkomt, wil eig. zeggen: iemand zouten, met zout (pekel), een bijtend vocht, inwrijven en wegjagen; op eene gevoelige wijze van zich wegzenden. Winschooten, bl. 132 stelt haar gelijk met: ‘iemand lustig in den baard vaaren’, ‘iemand ruuw bejegenen’, ‘iemand de volle laag geeven’. Vgl. bij Heemskerk, Arcadia bl. 26: Deze beleefde vryer wilde noch met haar na een Duyn toe, om ze aldaar om en om te wentelen, en tot spels besluit, met zant te zouten. Evenzoo bij Cats. Voor de hier gegeven verklaring vgl. hd. jemand mit scharfem Salze laugen oder reiben; jem. den Buckel salzen (afranselen); eng. to give a p. pepper, iem. afranselen; to be peppered, afgeranseld worden; en Winschooten, 272: Iemand iets souten, d.i. iemand iets duur aansmeren, hem iets aanzouten, zooals Sewel, 997 zegt; fr. saler, of zooals men in Zuid-Nederland nog zegt: hem iets (be)peperen naast op iemand peper geven, hem afranselen; Limb. iemand peper geven ('t Daghet XII, 187); iem. afpeperen, afranselen (Teirl. 36); hd. jem. den Pelz pfeffern; fr. une vinaigrette, een standje, en onze uitdr. dai riekt naar den mosterd (zie ald.). In het Friesch zijn bokkings met zout harde verwijten. Thans beteekent in het Oostfr. ofsolten nog: einen mit Salz (= scharfes, bitteres, beissendes etc.) gewürzten Verweis geben (Ten Doornk. Koolm. II, 676); zie verder Molema, 295 b; en vgl. iem. afpoeieren (no. 55); iem. iets inpeperen, iem. door den mosterd halen.Dat de uitdr. ontleend zou zijn aan de Friesche gewoonte om een kind op St.-Nicolaas in het ‘korfke’ een zakje zout te geven, als teeken dat het in 't volgende jaar niet weer mag opzetten (ôfsâltsje), komt me onwaarschijnlijk voor, daar ze reeds bij Winschooten als zeer gewoon wordt opgegeven en in dien tijd eene geheel andere beteekenis had.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal