Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afzien - (lijden, (pijn) doorstaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

afzien ww. ‘lijden, (pijn) doorstaan’
Nnl. afgezien ‘geleden’ [1812; WNT Supp.], zooveel “afzien” als de zielen in 't vagevuur [1896; WNT Supp.].
Een speciale betekenis van het regelmatig gevormde afzien, uit → af en → zien.
De algemenere betekenissen ‘naar beneden zien’, ‘zijn blik afwenden’, ‘niet ten uitvoer brengen’, ‘veel zien’, ‘tot het einde (in ruimte of in tijd) zien’ worden hier niet behandeld. Uit laatstgenoemde (temporele) betekenis heeft zich in het BN een specifieke betekenis ‘meemaken, doorstaan’, en van daaruit ‘pijn doorstaan, lijden’ ontwikkeld, die via het kanaal van de wielersport ook het NN heeft bereikt.

EWN: afzien ww. 'lijden, (pijn) doorstaan' (1812)
ANTEDATERING: uw afzien 'uw lijden' [1798; Van Kotsebue, 70-71]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

afsien ww.
1. Ondertoe sien. 2. Laat vaar, opgee. 3. Iemand groet, bv. op 'n lughawe, stasie, ens.
In bet. 1 'n samestelling van af 'ondertoe' en sien. In bet. 2 'n samestelling van af 'wegneem' en sien. In bet. 3 uit af en sien, as leenvertaling van Eng. see off. Eerste optekening in Afr. in bet. 3 by Mansvelt (1884).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afzien ‘besluiten er afstand van te doen’ -> Zweeds avse ‘van plan zijn, ten doel hebben; afzien van, opgeven’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

afzien* (in de sport) lijden 1970 [Recht voor raap]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

afzien, sporttaal voor ‘lijden; enorme inspanningen moeten leveren; zwaar ploeteren’. Aanvankelijk Zuid-Nederlands en meer algemeen ingeburgerd. In Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek (1981) treffen we al vindplaatsen aan uit de jaren vijftig. Via de wielertaal en door toedoen van oud-minister-president Van Agt, die vond dat politici net als renners moesten kunnen afzien, is het woord ook in het Noorden populair geworden. Reinsma (1975) vermeldt de term al.

In Mendoza zijn we door een geweldig dal gegaan. We hebben voor het slechte spel allerlei oorzaken gezocht, de bal, het gras, de hoogte, wat hebben de jongens daar afgezien. (Vrij Nederland, 11/07/81)
Ook buiten de wielertaal weten mensen dat ze zwaar moeten ploeteren of afzien, om dan ineens weg te demarreren. (Mark Baeyens: Taal in stukjes, 1982)
Terwijl ik daar in andere jaren toch moest afzien, verdomme. Als een beer. (Sport International, juli 1989)
Hoe dan ook, koersen is pijn lijden. Altijd. In elke wedstrijd. Zelfs bij een criterium moet je soms flink afzien. (Nieuwe Revu, 09/07/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal