Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afzakkertje - (glaasje sterkedrank na maaltijd of andere drank)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afzakkertje [glaasje sterkedrank na maaltijd of andere drank] {ca. 1730} eig. ‘iets dat doet afzakken’, vgl. middelnederlands sacken [in de maag doen], vgl. ook poesje [borrel na kop koffie].

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

afzakkertje Afzakkertje werd in de 17de en 18de eeuw gebruikt voor een glaasje brandewijn dat na de thee, de koffie of het banket werd gedronken. In de 19de eeuw werd het ook gebruikt voor likeur, jenever of andere sterke drank. Toen kreeg het tevens de betekenis ‘laatste glaasje’.
De naam ontstond omdat men dacht dat het afzakkertje de genoten dranken en spijzen beter deed zakken. In 1845 schreef de taalkundige J.H. Halbertsma hierover:

In het laatste der zeventiende eeuw begon men hier de thee en de koffie niet in te voeren, of dadelijk won de leer veld, dat men al dat warm water afdrijven en de verslappende kracht er van herstellen moest door sterken drank. Van dat oogenblik dagteekent het dagelijksch gebruik van den schandelijken jenever, die thans, en dieper, en zekerder, en duurzamer verwoestingen in ons volksleven slaat, dan alle nationale rampspoeden der laatste 15 jaren met elkander [...].

Afzakkertje behoort tot de gangbaarste en meest verbreide borrelnamen. Hij is door talloze schrijvers gebruikt en in vele Nederlandse dialecten opgetekend, onder meer in de vormen afzakkerdie en afzakkerke. De Friezen kennen het woord — sinds halverwege de 19de eeuw — als ôfsetter en ôfstekker. In de tweede helft van de 19de eeuw zei men in Nederland hij neemt een afzakkertje, maar het loopt verkeerd. De Gorkumse spreekwoordenverzamelaar P.J. Harrebomée schreef in 1874 als toelichting:

Als men heengaat, dat is: afzakt, maar nog een glaasje op de valreep neemt, dan heet dat glaasje te recht een afzakkertje. Omdat er reeds vooraf zoveel borreltjes gebruikt waren, loopt het thans verkeerd, dat is: niet naar beneden, maar naar boven, met andere woorden: het komt er weer uit.

Dat een afzakkertje, dat in 1970 nog werd beschouwd als Bargoens, hetzelfde effect kan hebben als een boevenverklikker bleek in de Volkskrant van 11 april 1993:

Brown zei van H. zelf meermalen gehoord te hebben dat die Bruinsma ‘had omgelegd’. Bovendien zou ten huize van Dorus K. bij een nachtelijk afzakkertje H. ook hebben gedemonstreerd hoe hij Bruinsma doodde.

Het Duits kent het verwante Absacker voor ‘laatste glas drank van de avond, waarna men naar bed gaat’.
Vergelijk pousse-café en zakkertje.

[Endt 4; EWB2; Herroem 11; Lennep 1845:24 & 1856:9; NZ 5:188; PJM 55; Stoett 1:27; WFT ôfsetter, ôfstekker; WNT I 1947 & Suppl. 791; Wschat 18]

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

afzakkertje glaasje sterkedrank na maaltijd of andere drank 1730 [Sanders 1997a]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

64. Een afzakkertje.

Vroeger ‘de benaming van den brandewijn, dien men na de thee of koffie, het banket, de confituren, enz. placht te nuttigen, om, zoo het heette, de genoten dranken en spijzen goed te doen zakken (vgl. fr. un pousse-café); thans de gemeenzame benaming van een glas sterken drank of likeur, dat men na genoten spijzen of andere dranken nuttigt. Ook wel afzettertje en voorheen ook zakkertje genoemd’; Ndl. Wdb. I, 1947; Menschenw. 365: Mô je nog 'n afsoakker Kloas? vroeg plots, voor 'n rot kroegje staanblijvend, Dirk. In Zuid-Nederland spreekt men nog van een afzettertje. Vgl. Schuermans, 13 b; Waasch Idiot. 68: Afzetter, laatste borrel dien men drinkt, 't zij na het eten, 't zij anders; Teirl. 58: 'n Afzetterke, borrel dien men neemt om het waterloozen te vergemakkelijken. Ook in den zin van ‘een glaasje op den valreep’ wordt het bij ons thans gebezigd. Vgl. hiermede een slaapmutsje, een borrel dien men neemt voor het slapen gaan; hd. Schlafmütze.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal