Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afgevaardigde - (gezant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

afvaardigen ww. ‘zenden’
Vnnl. affveerdigen ‘voor de reis gereedmaken’ [1552; MNW], afvaerdighen [1588; Kil.].
Gevormd uit → af en het werkwoord vaardigen, dat is afgeleid van het zn. mnl. vaert ‘tocht’ of eerder nog van het bn. mnl. vaerdig ‘reisvaardig’, zie → vaardig, → vaart.
Mnd. afverdigen ‘afzenden’; nhd. abfertigen ‘(verzend)klaar maken’; nfri. ôffeardigje, ôffurdigje.
afgevaardigde zn. ‘gezant’. Vnnl. afgevaerdigden (mv.) ‘gezanten’ [1648; WNT tegen]. Substantivering van het verl.deelw. van afvaardigen.

EWN: afvaardigen ww. 'zenden' (1552)
ANTEDATERING: affverdigen 'afvaardigen' [1544; MNHWS]
EWN: ♦ afgevaardigde zn. 'gezant' (1648)
ANTEDATERING: afgevaerdigden 'gezanten' [1644; Brune de Jonge 1, 258]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal