Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afgang - (debacle, slecht figuur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

afgang zn. ‘debacle, slecht figuur’
Mnl. afgang ‘afdaling’ [1240; Bern.], afganc ‘eind van een dijk enz.’ [1392; MNW], afgangh ‘afstand’ [1420; MNW], ‘het lossen van goederen’ [1350-1400; MNHWS], affganck ‘het overlijden’ [1479; MNW], ‘pad om af te dalen’ [ca. 1485; MNHWS]; vnnl. afganck ‘einde’ [1514; MNW], afganc ‘het heengaan, het zich verwijderen’ [voor 1545; MNW]; nnl. afgang ‘ondergang (van de zon, maan)’ [1812; WNT], ‘debacle’ [ca. 1960; Nierop 1979].
Afgeleid van het werkwoord afgaan, gevormd uit → af en → gaan.
Geen van de talrijke in het MNW en het WNT gegeven betekenissen van afgaan en afgang zijn nu nog gangbaar, behalve afgaan ‘zich (van het toneel) verwijderen’, ‘losbranden van een vuurwapen’ [1642; WNT], en voorts de betekenissen afgaan ‘stoelgang hebben’ en afgang ‘stoelgang, product van de stoelgang’, die aan het verdwijnen zijn. De huidige betekenis gaat terug op studententaal: afgaan ‘zakken, met de mond vol tanden staan, een dom antwoord geven’; ook afgaan als een gieter is oorspr. een studentenuitdrukking. Sedert de jaren 1960 betekent het ook buiten studentenkringen ‘voor schut staan’; in de media verschijnt dan ook afgang ‘beschamende mislukking (in het openbaar)’.

EWN: afgang zn. 'debacle, slecht figuur'; de betekenis 'beschamende mislukking' (ca. 1960)
ANTEDATERING: dat is helemáál zo'n afgang [1953; Dagblad voor Amersfoort 16/7]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afgang ‘schande veroorzaakt door eigen falen’ -> Negerhollands afgang ‘schande veroorzaakt door eigen falen’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

837. Zoo hard als een spijker (of een kei) zijn

d.w.z. gierig zijn; ook blut zijn, geldeloos zijn, arm zijn, afgebrand zijn (hd. abgebrannt sein), ook afgebrand zijn als een voetzoeker (o.a. Kalv. II, 74; 109). De uitdr. schijnt uit de 19de eeuw te dagteekenen; ze komt voor bij Harreb. II, 288; Ndl. Wdb. VI, 897; fri. sa hird as in spiker. In Zuid-Nederland zegt men hard van afgang zijn, eig. moeilijk afgaan, hardlijvig zijn, en overdr. moeilijk van zijn geld kunnen scheiden (Antw. Idiot. 1746; Teirl. II, 18). Waarschijnlijk zal deze overgang van beteekenis ook met onze zegswijze hebben plaats gehad. In het fr. être dur à la détente ou à la desserre, gierig zijn; ook het eng. hard, waarnaast hardness, beteekent gierig. (Aanv.) In de 17de eeuw beteekent het: zeer gezond, sterk zijn, tegen alle ongemakken bestand zijn; Ndl. Wdb. V, 2150; Halma, 599..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal