Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afdanken - (uit de dienst ontslaan; buiten gebruik stellen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

afdanken ww. ‘uit de dienst ontslaan; buiten gebruik stellen’
Vnnl. afdancken ‘laten heengaan onder betuiging van dank’ [1546; WNT], ‘ontslaan’, bijv. Dat ... hem sal toegelaten worden de ... Bootsgesellen ende Knechten af te dancken [1563; WNT rata], ‘buiten gebruik stellen’, bijv. werden ... affgedanckt alle de waegens [1593; WNT Supp.].
Gevormd uit → af en het werkwoord danken, zie → dank. Maar aangezien Duits abdanken ‘ontslaan’ [16e eeuw; Pfeifer] even oud is (en nu verouderd is ten gunste van de onovergankelijke betekenis ‘uit een ambt terugtreden’), is er mogelijk sprake van ontlening.
De oorspr. betekenis was nog zeer concreet: iemand al dankend doen af- (weg-)gaan, te vergelijken met bijv. uitzwaaien. Door het op de achtergrond raken van de dankbetuiging kon dit gemakkelijk synoniem worden met ‘uit dienst doen treden, ontslaan (omdat iemand niet meer nodig is)’, meestal met betrekking op krijgs- of scheepslieden. Daaruit rees de overdrachtelijke toepassing op voorwerpen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

afdanken* [uit de dienst ontslaan] {affdancken [wegsturen (met dank)] 1546; als ‘ontslaan’ 1567} hoogduits abdanken, van af + danken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

afgedankste b.nw.
1. Geweldig kwaai, gedug. 2. Wat 'n hoë mate van ergernis of verwensing veroorsaak.
Reduksieafleiding met -ste van afgedankte. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm afgedankst.

afgedankte b.nw.
Afgedankste (afgedankste 1 en 2).
Uit Ndl. afgedankte.

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

afdanken. ― Wie vaarwel zegt aan een eerambt, waaraan geen vaste bezoldiging verbonden is, maar waarvan de eer de voornaamste belooning is, doet afstand van de hem toegekende eer: hij bedankt. Doch, wordt hij er min of meer toe gedwongen, dan krijgt hij zijn ontslag. In het Duitsch zegt men in dit geval, dat hij moet afdanken: der Minister hat abgedankt, es kam dahin, dass er abdanken muste. Bij ons wordt men afgedankt, als men uit een dienst ontslagen wordt (een veldheer dankt de vrijwilligers af, als de oorlog geëindigd is, een bouwmeester dankt zijn werklieden af, als hij ze niet meer gebruiken kan); maar men dankt zelf niet af, wanneer men zijn ambt vrijwillig daarlaat, en zelfs niet, wanneer men het moet nederleggen. Dit dubbel gebruik is met ons taaleigen in strijd. Het Duitsch werkwoord abdanken staat gelijk met Lat. abdicare en beteekent, als onovergankelijk werkwoord, zijn ontslag nemen, - vragen of - indienen, bedanken, afstand doen (van), zijn ambt nederleggen, aftreden, al naar het verband. Abdanken müssen is afgedankt worden, zijn ontslag of zijn afscheid krijgen, afgesteld, afgezet of ontzet worden, gemeenzaam den schop krijgen, (1) of een der vorige uitdrukkingen met bijvoeging van het hulpwerkwoord moeten. Zie verder onder de aanhaling.
|| von Hertling heeft het bedrag vastgezet en naar verluidt zou hij willen afdanken indien het bedrag in de Kamer wordt verworpen, H. L., VIII, 47, 3 (men zegge bij voorkeur von Hertling ... zou … willen aftreden, indien het bedrag in de Kamer wordt verworpen).
— Als overgankelijk werkwoord met een zaak als voorwerp is het gebruik van afdanken voor het vrijwillig nederleggen van een ambt eveneens in strijd met ons taaleigen: D. das Reich abdanken = afstand doen van den troon of - van de regeering, de kroon ne(d)erleggen of - afleggen, van den troon aftreden, den keizerlijken, koninklijken of vorstelijken zetel verlaten.

(1) Met weggezonden of weggejaagd worden is de platte zegswijze den schop krijgen de sterkste uitdrukking van het afdanken, en steeds ligt er het bijbegrip in besloten van groote misnoegdheid over gedrag of handelwijze van hem die weggejaagd wordt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

afdanken* afwijzen, uit de dienst ontslaan 1546 [WNT Suppl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal