Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

afbreuk - (nadeel, schade)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

afbreuk zn. ‘nadeel, schade’
Mnl. afbrec [voor 1356; MNW], afbreking [1413; MNW]; vnnl. afbreuk ‘verlies, schade’ [ca. 1574; WNT]. Het woord is nu meervoudsloos, maar kende vroeger een meervoud op -en.
Gevormd uit → af en het zn.breuk.

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

afbreuk. — Dit woord is vrouwelijk, maar D. Abbruch is mannelijk. In de volgende citaten hebben wij dus te doen met een germanisme tegen het geslacht, dat ook in Gallas’ Fransch Wdb., II, kol. 63 voorkomt.
|| Deze strijdvragen hielden de commissie langen tijd bezig … en deden aan de ideëele zijde van het plan geduchten afbreuk, Frits Lensvelt in V. o. Tijd, XII, 35, 568. Doch deze uitvoeringen … verschaffen Wagner niet den geldelijken steun, dien hij behoeft; de afbreuk, dien (1) Wagner door de pers gedaan wordt, is een zoodanige, dat enz. W. de Jager in De Nieuwe Gids, 10, 555.

(1) Die accusatief heeft geen zin, maar, indien we hier met geen erratum te doen hebben, bewijst hij toch dat de schrijver het waar geslacht van afbreuk niet kende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

afbreuk ‘verlies, schade’ -> Noors afbrekk ‘verlies, schade; onderbreking’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal