Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

actueel - (op het ogenblik bestaande)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

actueel bn. ‘op het ogenblik bestaande’
Vnnl. actueel [1535; MNW], actueel, acteux “werckelijck” [1650; Hofman].
Ontleend aan Frans actuel ‘werkelijk, huidig, werkzaam’ [13e eeuw] < Laatlatijn āctuālis ‘werkzaam’, bij Latijn agere ‘handelen, doen’ (waaruit → ageren).
De betekenis is van ‘werkzaam’ naar ‘op het ogenblik werkzaam’ gegaan. Deze laatste betekenis is in de tweede helft van de 19e eeuw onder invloed van het krantenwezen opgekomen en geëvolueerd tot ‘op het ogenblik bestaande’.
actualiteit zn. ‘het actueel-zijn’, (meestal als mv.) ‘actuele onderwerpen’. Nnl. actualiteyt ‘werkzaamheid’ [1754; WNT Supp.], actualiteit ‘het actueel zijn’ [1863; WNT Supp.], actualiteiten ‘actuele onderwerpen’ [1914; WNT revue]. Ontleend aan Frans actualité [14e eeuw].

EWN: ♦ actualiteit zn. ‘het actueel-zijn’, (meestal als mv.) ‘actuele onderwerpen’; de betekenis (van het mv.) 'actuele onderwerpen' (1914)
ANTEDATERING: "actualiteiten" 'actuele gebeurtenissen' [1861; NRC 28/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

actueel [op het ogenblik bestaand] {1535} < frans actuel < middeleeuws latijn actualis [werkelijk, actief, praktisch], van agere (verl. deelw. actum) [handelen, doen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

actueel bnw., < fra. actuel < lat. actualis ‘werkzaam’; de betekenis ‘de algemene belangstelling wekkend’ is dus afgeleid uit ‘wat op dit ogenblik geschiedt’.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

actueel ‘huidig’ (Frans actuel); ‘werkelijk, feitelijk’ (Engels actual)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Actueel (< Lat. actualis; actus = handeling). 1) Vert, van Gr. ἐνεργείᾳ = in werkelijkheid; tegengestelde van → potentieel, vert. van Gr. δυνάμει = naar mogelijkheid. 2) Math. in: actueel oneindig klein. Een grootheid z heet actueel oneindig klein t.o.v. een grootheid M van dezelfde soort, als er geen natuurlijk getal n bestaat, waarvoor n ε > M.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

actueel ‘op het ogenblik bestaand’ -> Indonesisch aktuil, aktual ‘op het ogenblik bestaand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

actueel op het ogenblik bestaand 1535 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal