Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

achterop - (in/op het achterste deel van een dorp, terrein, erf)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ach’terop, 1. (bw.; ook:) in/op het achterste deel van een dorp, terrein, erf*, lokaal enz. Tang*, zei zijn moeder toen ze hem naar binnen zag lopen. Ik dacht al die tijd dat je weg was gegaan. - Ik was achterop ma (Vianen 1972: 125). Er was nog een ploeg idioten in de klas, die flippers zaten achterop, de laatste rij evenwijdig aan de muur tegenover het bord. Daar zaten ze te kaarten, ze speelden twee aan twee biska* (Rappa 1981: 81). - 2. (zn.; de, -pen), achterste deel van erf* (1,2,4). En voordat hij dacht, tussen die halfverwerkelijkte schuttingen, van achteroppen aan die erven*, mijn god*!, één* menigte! (Cairo 1980c: 11). - Etym.: Vermoedelijk is bet. 2 voortgekomen uit bet. 1. - Zie ook: achtererf*, voorop*.
— : naar/van achterop bw. uitdr., naar/van het achterste deel van een terrein enz., naar/ van achteren. De W.C. en de badkamer moeten allemaal boven zijn, want als het middernacht is en je buikpijn hebt, hoef je niet helemaal in het donker naar achterop te gaan (Doelwijt 1971: 34). Buurvrouw Anna komt van achterop in haar nieuwjaarsrok zonder jaki [S, jakje] en hoofddoek (Hijlaard 45).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal