Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aat - (wilde haver (Avena fatua of Avena sterilis))

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Etymologie: aat

aat zn. ‘voedsel’
Oudnederlands āt ‘eten’ (901–1000), Middelnederlands āt (1236), aet m. (1265–1270) ‘voedsel’, Vroegnieuwned. aet ‘voedsel, kost’ (1563). Af en toe ook vrouwelijk ate. Een oude samenstelling is Mnl. overāt ‘vraatzucht’ (1240), een oude afleiding Oudnederlands ātōn (901–1000), Mnl. āten ‘voeden’.
In dialecten West- en Zeeuws-Vlaams aat(e), aot(e), oot(e), Zeeuws ook èèt, ‘voedsel, veevoer; wilde haver, avena fatua’. Het EWN neemt onder aat voor de betekenis ‘wilde haver’ een apart woord WGm. *ait- aan. Maar de betekenis ‘wilde haver’ kan heel goed uit ‘wat het vee eet’ verklaard worden, en de klinker van aat is in Vlaanderen niet te onderscheiden van de normale reflex van lange aa.
Verwante vormen: Oudsaksisch āt, Oudfries ēt, Oudengels ǣt, Oudhoogduits āz ‘voedsel’, Oudijslands át naast áta ‘voedsel’, uit PGm. *ēta- onz. ‘het eten’, een afleiding bij eten. Zie verder, onder andere voor de verklaring van de lange klinker, het nauw verwante aas. Een ander woord waarin *āte verpakt zit is Ned. ort ‘voedingsrest, kliekje’, ook oort (in Hij heeft zijn laatste oortje versnoept), Vroegnieuwned. oraete, orete, uit WGm. *uz-āt-(an-) ‘uit-voedsel’, verwant met Gotisch uz-eta ‘kribbe’, ‘waar je uit kunt eten’.
De samenstelling overāt is uit het Westgermaans geërfd getuige de overeenkomst met Ohd. ubarāz, Oudsaksisch ovarāt, Oudengels oferǽt ‘vraatzucht’. In het Middelnederlands vormen overaat en overdrank een vaste verbinging: Overaet ende overdranc maect den lichame ziec ende cranc (Boendale, Der Leken Spiegel).
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 12-11-2015]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aat zn. ‘wilde haver (Avena fatua of Avena sterilis)’
Nnl. oot ‘wilde haver’ [1799; Bremmer], ate [1865; WNT].
De enige verwant is oe. āte ‘id.’ (me. otes; ne. oats). Weijnen ziet mogelijke verwantschap met nijsl. eitill ‘klier, knoest’ [17e eeuw]; nno. eitel ‘knoop, klier’. Dat zou kunnen wijzen op pgm. *ait- ‘korrel’. De Nederlandse vormen met -o- en -a- zijn dan echter vreemd, daar men eerder -ē- of -ei- (< -ai-) zou verwachten. Mogelijk gaat het hierbij niet om een leenwoord uit het Engels, zoals NEW suggereert, maar om een kustwoord met een speciale ontwikkeling van -ā- naar ō zoals ook in → moot.
Pgm. *ait- hoort dan bij de wortel pie. *h3eid- ‘zwellen’, als in Grieks oédos ‘gezwel’; Oudkerkslavisch jadra (mv.) ‘boezem’; Armeens ayt ‘wang’ en aytnum ‘zwellen’. Het is ook mogelijk dat het een substraatwoord is.
Lit.: A. Weijnen (1975) ‘Oude Engels-Nederlandse parallellen’ in: Weijnen 1975, 173-187, hier 178; R. Bremmer (1993) ‘Dutch and/or Frisian: North Sea Germanic aspects in Dutch etymological dictionaries in past and future’ in: Bremmer e.a. 1993, 17-36, hier 25-26; C. van Bree (1997) Een oud onderwerp opnieuw bekeken: Ingweoons, Leiden, 31-32

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aat, oot [een soort wilde haver] {ate, aat, oot 1854} mogelijk < engels oat; klankwettig zou het woord verwant kunnen zijn met etter en zou de grondbetekenis ‘zwelling’ kunnen zijn, hetgeen kan slaan op de korrels, maar semantisch lijkt deze verklaring dubieus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aat znw. m. naast āte v., (zuidnederl.) ‘eten, spijs’, mnl. aet m., âte v., onfrank. os. mnd. āt o., ofri. ēt, oe. æt m., ohd. āz (nhd. aas), een verbaal-nomen bij eten. — osl. ob-ědŭ ‘maaltijd’, lit. iš-édos mv. ‘overblijfsels van het eten’ (IEW 288). — Zie ook aas 1.

oot znw. v. ‘wilde haver; avena fatua’, gewestel. in Zeeland en Zuidholl. eilanden, vgl. oote in Zeeuws-Vlaanderen en oat in Groningen en in Vlaanderen de vormen āte en ōte; oe. āte (ne. oat) ‘haver’. De eng. vormen voeren tot een grondvorm germ. aita en zijn dan te verbinden met nijsl. eitill, nnoorw. eitel, itle ‘klier’, mhd. eizel ‘etterend gezwel’ en zie verder: etter. Dan zou men de naam moeten verklaren uit de gezwollen vormen van de korrels.

Dit is weinig bevredigend. De nl. vormen laten zich moeilijk hiermee verenigen; zijn deze, die vooral west-nnl. zijn, van het eng. overgenomen?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aat v. (vloghaver), ook oot, Friesche vorm voor *eete, *eite + Ags. âta (Eng. oats), wellicht bij den wortel van etter.

oot v., uit Fri. áte + Ags. áta (Eng. meerv. oats): Ug. *ait-, wellicht bij den wortel van etter.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

oot, aat, aot wilde haver (Vlaanderen, Zeeland, Zuid-Holland, Noordoost-Nederland). Vgl. oeng. ate (= eng. oat) ‘haver’. Geen duidelijke verwanten. Als het woord in het nl. van Britse oorsprong is, zou het daar een Pictisch relict kunnen zijn.
Weijnen 1991, par 20, NEW 492, Hulshof/Schaars 15, IEW 774, Ghijsen 331, IEW 774.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

haver
Gekweekte haver | Avena sativa L.
Oot | Avena fatua L.
Vroege Haver | Aira praecox L.
Zilverhaver | Aira caryophyllea L.
Goudhaver | Trisetum flavescens (L.) Beauv.
Glanshaver | Arrhenatherum elatius (L.) Beauv. ex J. et C. Presl

Bijna alle vermelde grassen dragen het woord haver in hun naam, maar ze zijn niet alle taxonomisch met elkaar verwant en behoren tot verschillende geslachten. De bloempluimen van deze grassen lijken meestal wel op die van de Gekweekte haver, wat dan hun naam verklaart. Haver is een oud Germaans woord waarvan de originele betekenis onzeker is.

Oot is een oud woord voor de plant Haver, afgeleid van het Oudnederlandse ate of aet dat voedsel of spijs betekent. De graanvruchten van de plant werden en worden zoals die van de Gekweekte haver als veevoer gebruikt. Dit gras wordt ook Aat en Wilde haver genoemd en waarschijnlijk is de Gekweekte haver geëvolueerd uit de Wilde haver. In het Engels draagt de Gekweekte haver de naam Oat, naam die wellicht dezelfde etymologische oorsprong als Oot heeft. In 2017 werd in Duitsland de Gekweekte haver als geneeskrachtige plant van het jaar uitgeroepen.

Vroege haver, ook soms Paashaver genoemd, kan, in vergelijking met soorten van hetzelfde geslacht Aira, al vroeg in het jaar bloeien, bijvoorbeeld al in april, vandaar de naam. De aartjes van Zilverhaver zijn opvallend zilverachtig glanzend. De bloempluimen van Goudhaver hebben meestal een goudgele kleur en dat gaf aanleiding tot de naam, maar de pluimen kunnen ook al eens groen, purper of geel met purper gekleurd zijn.

Glanshaver heeft een glanzende, gladde stengel. Vroeger heette dit gras Frans raaigras, omdat dit gras voor het eerst uit zaad afkomstig uit Frankrijk gekweekt werd, maar dit gras heeft niet de eigenschappen van de soorten van het geslacht Raaigras of Lolium, zoals het Engels en het Italiaans raaigras.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

oid- ‘schwellen’, oidos ‘Geschwulst’; i-n-dro- ‘schwellend, stark’

Ai. índra- ‘stark’, auch GN ‘Indra-, urind. (mitanni) Indar = av. GN Indra-; ai. indriyám n. ‘Kraft, Vermögen’; vielleicht auch índu- m. ‘Tropfen’ (ursprüngl. ‘Sehwellung, Kugel’);
arm. ait (i-St.) ‘Wange’, aitnum ‘ich schwelle’ (*oid-nu-mi), aitumn ‘Geschwulst’;
gr. οἰδάω, οἰδέω ‘schwelle’, οἶδος n. ‘Geschwulst’, οἴδᾱξ ‘unreife Feige’, oἶδμα ‘Aufschwellung, Schwall des Meeres’, Οἰδί-πους ‘Schwellfuß’;
ahd. eiz, nhd. dial. Eis ‘Eiterbeule, Geschwür’, und als Bezeichnung von deren giftigem Inhalt ahd. eitar, ags. āt(t)or, aisl. eitr ‘Eiter’ (aisl. auch übertragen ‘Raserei, bitterer Sinn’, ostfries. eitel ‘zornig, rasend’); aisl. eitill m. ‘Einschluß in einem Stein’, norw. eitel ‘Drüse, Knorren am Baum, Knoten, Knospe’ (= mhd. eizel ‘kleines eiterndes Geschwür’); aisl. eista ‘Hode’ (*oid-s-to(n)-, von der Tiefstufe des es-St.: gr. οἶδος); vielleicht auch ags. āte, engl. oat ‘Hafer’; lett. idra ‘das faule Mark eines Baumes’; mit slav. *ĕ-, *ja- aus oi- wohl abg. -ědro, jadro (usw.) ‘sinus; velum, Segel’, poln. kaschub. auch ‘Netz’ (Grundbed. ‘Schwellung’);
aksl. jadъ ‘Gift’ (*oidos), slov. jàditi ‘ärgern’, serb. ijèditi ‘erzürnen’; lit. aidinti ‘reizen’ und aksl. isto, Pl. istesa ‘Hode, Niere’ aus schwundstufigem *id-s-to-, woneben*oid-s-to- (: aisl. eista) vielleicht in aruss. jestesě n. Du. ‘Hoden’, wenn damit *ěstesě gemeint ist; nasaliertes *ind-ro zu *ęd- (jęd-) in slav. *jędro, *jędrъ: aksl. jędro ‘schnell’ (aus ‘*stark’ = ‘*geschwollen’), serb. jédar ‘voll, kräftig, frisch, stark’ und r.-ksl. jadro ‘nucleus, testiculus’, russ. jadrovítyj ‘kernig, stark’, jádrica ‘Gersten-, Hafergrütze’, poln. jądro ‘Kern; Pl. Hoden’, jędrny ‘kernig, kräftig, rüstig’;
dazu die balt. FlN Indus, Indura, Indra, Indrajà und Indrica, auch die Innerste, NFl der Leine (Hildesheim), alt Indrista (wohl ven.-illyr.).

WP. I 166 f., Petersson Heteroklisie 83, 248, Güntert Weltkönig 13 f., Machek KZ. 64, 261 f., Pokorny Urillyrier 114, 127, Trautmann 2f., 108.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal