Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aars - (achterste, billen; anus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aars zn. ‘achterste, billen; anus’
Mnl. in de samenstellingen arsdarm, arsgat of arswisg ‘lap om de aars af te vegen’ [1240; Bern.], ers, ars ‘aars’ [1291; CG I, 1637].
Os. ars ‘achterste’; ohd. ars (nhd. Arsch); ofri. ers (nfri. ears); oe. ears, ars (ne. arse); on. ars, rass (met r-metathese); < pgm. *ersa-, *arsa- ‘aars’.
Verwant met Grieks órros, orso- ‘achterste’, ourā ‘staart’, beide uit *ors-; Armeens or ‘id.’; bij pie. *h3erso- ‘achterste’, van de stam pie. *h3eres-, *h3eros-, *h3ers- ‘uitstekend deel’, behorend bij de wortel *h3er-; vgl. Grieks óros ‘berg’, Hittitisch arraš. Als de -s- van *h3erso- bij de wortel behoort, dan moet men uitgaan van pie. *h3ers-, vgl. Oudiers err (< *ersā).
Dit woord duidde in het verleden meestal het hele achterwerk aan, en is in die betekenis in de 20e eeuw vervangen door billen, achterste of achterwerk. Voor de betekenis ‘anus’ werd meestal de samenstelling aarsgat gebruikt. De variant gat hiervan heeft zich in de volkstaal gehandhaafd, terwijl de korte vorm aars in de 19e eeuw de wetenschappelijke neutrale benaming is geworden en in die connotatie in de 20e eeuw volledig vervangen is door → anus. Door dit alles is het woord aars inmiddels sterk verouderd. Een oude afleiding van aars is te vinden in → aarzelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aars* [anus] {eers 1410, vgl. arsgat 1201-1250} oudhoogduits ars, oudfries ers, oudengels ars; buiten het germ. grieks orros [stuitbeen, aars], oudiers err [staart].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aars znw. m. mnl. aers, eers, ers, vgl. mnl. ers, naast ars, os. ohd. ars, ofri. ers, oe. ærs, ears, ars. — gr. órros (< *orsos) ‘staartbeen’, ourá (< *orsjâ) ‘staart’, vgl. oiers err ‘staart, punt’ (IEW 340).

De mnl. vormen ers, eers, nnl. dial. eers, kan men beschouwen als rekking van e of van a met umlaut. Maar het woord behoort tot de affectieve sfeer, wat klinkerveranderingen kan hebben veroorzaakt. — Nnl. naars is ontstaan door aanhechting van het lidwoord. — Men verbindt het woord wel met de wortel *er ‘zich bewegen, omhoog brengen’, wat met een grondbetekenis ‘staart’ zou overeenstemmen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aars znw., mnl. aers, e(e)rs m. De oudnnl. en dial. bijvorm naars, met anorganische n, is in verbindingen als enen (ǝn), den (dǝn) aers (eers) ontstaan; vgl. oom. De mnl. vormen ers, eers m., nnl. dial. eers wijzen er op, dat de vocaal, die voor r + dentaal (zie aard) gerekt is, ôf a met volgenden umlautfactor òf e geweest is. Het laatste is ʼt waarschijnlijkste. Ndl. aars, mnd. ërs m. “aars” hebben dan hetzelfde vocalisme als ier. err (*ersâ-) “staart” en staan in ablaut met ohd. ars (nhd. arsch), mnd. ars (os. in arsbelli “billen”), ags. ears (eng. arse) m., on. ars, rass m. “aars, achterste”, gr. órrhos “stuit, achterste”, ourá “staart”, arm. oṙ “achterste”. Ofri. ers-knop “stuitbeen” kan germ. e of a hebben. De verdere op de bet. “uiteinde, punt” van ier. err gebaseerde combinatie van de geciteerde vormen met oi. ṛṣáti “hij stoot, steekt” is reine fantasie.

[Aanvullingen en Verbeteringen] aars. Een met ohd. ars identische vorm in ’t Limb. In ’t Eemslandsch leven zoowel mnd. ars als ërs voort.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aars m., Mnl en dial. eers + Ohd. ars (Mhd. ars, Nhd. arsch), Ags. ears (Eng. arse), Ofri. ers, On. ars en rass (Zw. en De. ars) + Arm. or (d.i. *orr-, *ors-), Gr. órros (d.i. *orsos), Oier. err (d.i. *ers-).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

asse, in uitdr. aan z’n asse kriegen ‘aan zijn broek krijgen’. As(e) < aars ‘kont, gat’. Rijnl. he krit all de Kosten an den Arsch.

mars, zn.: aars. Ook Vlaams maars, maas ‘aars, achterste, zitvlak’. De Bo en Gezelle (Loquela) identificeren het woord ten onrechte met aars, want dan had de Wvl. vorm wel meers moeten zijn. Vaelande (F. van Daele, Ieper 1737-1818) schreef: die met synen blooten maes. Het woord heeft ook niets te maken met mast, mest, waarop Kiliaan schijnt te wijzen: mestdarm, mastdarm, masdarm ‘intestinum rectum’ als synoniem met aersdarm. Maas is door rs/s-assimilatie uit maars ontstaan, hetzelfde woord als Ndd. maars, moors, mors ‘achterste’. Gezelle vermeldt ook naars als variant en ook het Ndd. kent noors naast moors, dat door Hermann-Winter door metanalyse uit dem/den oors ‘Arsch’ (aars) wordt verklaard. Op een volksverhaal berust de spottende aanspreking voor de Hamburger: Hummel Hummel Mors Mors.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

mes 2, zn.: rug. Wvl. en Gents maas < maars ‘aars, kont, achterste, zitvlak’. De Bo en Gezelle (Loquela) identificeren het woord ten onrechte met aars. Vaelande (F. van Daele, Ieper 1737-1818) schreef: die met synen blooten maes. Het woord heeft ook niets te maken met mast, mest, waarop Kiliaan schijnt te wijzen: mestdarm, mastdarm, masdarm ‘intestinum rectum’ als synoniem met aersdarm. Het is door rs/s-assimilatie uit maars ontstaan, hetzelfde woord als Ndd. maars, moors, mors ‘achterste’. Gezelle vermeldt ook naars als variant en ook het Ndd. kent noors naast moors, dat door Hermann-Winter door metanalyse uit dem/den oors ‘Arsch’ (aars) wordt verklaard. Op een volksverhaal berust de spottende aanspreking voor de Hamburger: Hummel Hummel Mors Mors.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

naars zn.: aars, achterste. Op het eerste gezicht te verklaren door metanalyse uit den aars. Maar er is ook Wvl. maars, uitgesproken maas ‘achterste, kont, zitvlak’, Gents maas ‘aars, achterste, zitvlak’. De Bo en Gezelle (Loquela) identificeren het woord ten onrechte met aars, want aars is in het Wvl. eers. Vaelande (F. van Daele, Ieper 1737-1818) schreef: die met synen blooten maes. Het woord heeft ook niets te maken met mast, mest, waarop Kiliaan schijnt te wijzen: mestdarm, mastdarm, masdarm ‘intestinum rectum’ als synoniem met aersdarm. Het is door rs/s-assimilatie uit maars ontstaan, hetzelfde woord als Ndd. maars, moors, mors ‘achterste’. Gezelle vermeldt ook naars als variant en ook het Ndd. kent noors naast moors, dat door Hermann-Winter door metanalyse uit dem/den oors ‘Arsch’ (aars) wordt verklaard. Op een volksverhaal berust de spottende aanspreking voor de Hamburger: Hummel Hummel Mors Mors.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

is (G), zn. m.: aars, anus. Door open è-uitspraak en assimilatie rs/s uit Mnl. eers 'aars', Wvl. eers, èès. Vnnl. ers over bolle 'cul par sus teste' (Lambrecht). Ohd. ars, D. Arsch, Ofri. ers, Oe. ears, E. arse, On. ars 'stuit, achterste' < Germ. *arsa-. Te vergelijken met Oiers err 'staart', Gr. orrhos < Idg. *orso- 'stuit'. Samenst. isdarm, isdoek, isgat, ishout (G).

maas 1 (G), zn. m.: aars, achterste, zitvlak. De Bo en Gezelle (Loquela) identificeren het woord ten onrechte met aars. Vaelande (F. van Daele, Ieper 1737-1818) schreef: die met synen blooten maes. Het woord heeft ook niets te maken met mast, mest, waarop Kiliaan schijnt te wijzen: mestdarm, mastdarm, masdarm 'intestinum rectum' als synoniem met aersdarm. Het is door rs/s-assimilatie uit maars ontstaan, hetzelfde woord als Ndd. maars, moors, mors 'achterste'. Gezelle vermeldt ook naars als variant en ook het Ndd. kent noors naast moors, dat door Hermann-Winter door metanalyse uit dem/den oors 'Arsch' (aars) wordt verklaard. Op een volksverhaal berust de spottende aanspreking voor de Hamburger: Hummel Hummel Mors Mors.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aars s.nw.
Anus, sitvlak.
Uit Ndl. aars (Mnl. aers naas eers en ers), met aa voor r wat later as skryftaalvorm uit e(e) voor r ontwikkel.
D. Arsch, Eng. arse.
Vgl. ners.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

maars (DB, GG: K), zn. m., uitspr. maas, met assimilatie rs/s: achterste, kont, zitvlak. DB en GG identificeren het woord ten onrechte met aars, al werpt De Bo terecht op dat aars in het Wvl. ee(r)s is. Vaelande (F. van Daele 1737-1818) schreef: die met synen blooten maes. Het woord heeft ook niets te maken met mast, mest, waarop Kiliaan schijnt te wijzen: mestdarm, mastdarm, masdarm ‘intestinum rectum’, als synoniem met aersdarm. Het is hetzelfde woord als Ndd. maars, moors, mors ‘achterste’. GG vermeldt ook naars als variant en ook het Ndd. kent noors naast moors, dat door Hermann-Winter door metanalyse uit dem/den oors ’Arsch’ (aars) wordt verklaard. Op een volksverhaal berust de spottende aanspreking voor de Hamburger: Hummel Hummel Mors Mors.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aars: “agterent, boud(e), sitvlak, stert; anus”; Ndl. aars (Mnl. aers/e(e)rs), Hd. arsch, Eng. arse, “agterste”, hou verb. m. Gr. orros, “agterste, stuitjie”, en Gr. oura, “stert”; v. ook asgat, blikners en nersderm.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

maars, maarch, maarsch, maarsj, moaze: aars, achterste, reet | < Jidd. maarsj < Hd. im Arsch.
Helemaal zeker is deze aparte ontwikkeling niet; in ieder geval vinden we overeenkomstige vormen in het Jiddisch (morsj), Duits en Nederlands, waar naast ‘aars’ en ‘naars’ ook ‘maars’ voorkwam, met een zinspeling op ‘mars’, de korf of mand die immers ook wel ‘maars’ genoemd werd.

— “Nou, en wat wi je nou?” bleef Bresser in een negatie-toon halsstarrig vragen, “de tijd blijft...” “Lek me de maarch mitje thijth!” beet Sak terug, “dat weut ‘k ook!” (IS. QUERIDO, 1901)
— En of hìj dan zee: steek de moord en lek me de maarsch - tot ’t end toe had-ie ‘m gesodemieterd. (HERMAN HEIJERMANS, 1904)
— “Nòg, lek me de màarsch!” snauwde Dovid. “Lek jij mijn de màarsch! Over wadde mot ik jóu de maarsch lekke?” gijnig vroeg Suikerpeer, nalachend, stem als ’n vetprop. “Lek ‘m dan dùbbeld,” droog Dovid zei... (HERMAN HEIJERMANS, 1904)

Zie ook oorsch, toges

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

aars. In het hedendaags Nederlands komen de verwensingen kus mijn aars! en lik mijn aars! voor met als varianten lik mijn naars en lik mij de naars! Zij betekenen zoiets als ‘je kunt mij wat; bekijk het maar’. In het algemeen kan men zeggen dat de verwensing woede, minachting en irritatie uitdrukt. Sanders en Tempelaars (1998) noemen ook lik me de aars in Breukelen!, een verwensing die in Utrecht gehoord werd. → gat (2), hol, kont, naad, naars, poeper(d), reet, vessie.

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

maarsch achterste, aars; ontstaan uit i(m) Arsch, waarbij de m met arsch samengroeide; ndd. mârs; nhd. Arsch; in de vorm maars overgegaan in de ndl. volkstaal; vgl. oorsch.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

maars jidd. maarsch van hd.: im Arsch; wellicht uit het Jidd. overgenomen = achterste, aars.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aars ‘anus’ -> Caribisch-Engels rass ‘reet, kont; onzin’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aars* anus 1410 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1618. Met zijn neus in het vet (of in de boter) vallen,

d.w.z. een (onverwacht) fortuintje krijgen; vooral juist komen als men ergens feest viert of smult; een voordeelig huwelijk sluiten. De uitdr. komt in de 17de eeuw voor bij Brederoo, Klucht v.d. Molenaar, vs. 474: Dat ick so ien reys mocht mit myn neus in 't vet raken; Van Eijk III, 41; Nkr. II, 25 Oct. p. 3: Het feit dat Z.E. Gestrenge door zijn benoeming met zijn neus zelf in de boter is gevallen; Kalv. II, 183: Je valt hier met je neus in de boter; Prikk. II, 11: Jij valt ook niet eventjes met je neus in de boter!; Het Volk, 25 Juni 1914, p. 5 k. 2: Nu, ge kunt denken dat hij (een onderkruiper) onder zooveel georganiseerden met zijn neus in de boter viel (leelijk te pas kwam). Elders leest men met zijn aars in de boter vallen (Harreb. I, 84 b), waarvoor men in Friesland zegt mei 't gat yn 'e bûter (of 'bûterfet) falle, gezegd van een meisje zonder geld, dat een rijk huwelijk doet; in Groningen: mit 't achterste (of mit 't gad) in de botter (of in 't bottervat) vallen (Molema 54 a; Bergsma, 67); op de Veluwe: met 't kond in de botter vallenOnze Volkstaal III, 250.; In Zuid-Nederland met zijn gat in de boter vallen (o.a. Antw. Idiot. 281; Teirl. 201; Tuerlinckx, 94). Bij Schuermans, 808 a: met zijne palms (of zijnen neus) in het vet vallen, ergens te midden van eene kermis of feest aankomen, in welken zin het bij ons ook niet ongewoon is (Dr. Bl. III, 46 en vgl. eng. to come at puddingtime); bl. 408: met den neus in 't vet zitten of liggen, goede dagen hebben; Joos, 84: met zijn duimen in 't vet vallen; Land v. Waas: met zijnen achteruit in de boter vallen of met zijnen bek in 't vet vallen. Syn. in de 17de eeuw met zijn lijf in een vat boter vallen; zie V.d. Venne, 226: Die met sijn Lyf in een vat boter valt, schijnt een geluckigen vet-sack te wesen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ers- : orsos ‘Hinterer, Schwanz’

Arm. oṙ ‘Hinterer’ (meist Pl. oṙ-k’, i-St.);
gr. ὄρρος m. ‘Hinterer’ (dazu οὐρά: f. ‘Schweif’ aus *orsi̯ā) =
ahd. ars, ags. ears m., aisl. ars, rass ‘Arsch’ =
hitt. a-ar-ra-áš (arras), Dat. ar-ri-iš-ši (arrisi); das -si enklit. Pronomen;
e-stufig air. err (*ersā) f. ‘Schwanz, Ende’ (auch des Streitwagens), davon eirr ‘Wagenkämpfer’ (*ers-et-s), Gen. erred;

WP. I 138, Couvreur H̯ 98, Pedersen KG. II 101.wird vielfach als ‘Erhebung, vorstehender Körperteil’ zu er-3 (oben S. 326) gestellt.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal