Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aardaker - (Lathyrus tuberosus)

Thematische woordenboeken

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Láthyrus | Láthyrus tuberósus: Aardaker
De geslachtsnaam Lathyrus, in het Grieks lathuros (bij Theophrastus een peulvrucht), is een samenstelling van la: zeer en thuros: afvoerend, prikkelend, ook heftig en onstuimig, omdat twee Zuideuropese lathyrus soorten als geslachtsdrift opwekkend bekend stonden. Volgens anderen is de naam ontstaan uit een samentrekking van de woorden elannoo: wegsnellen en thura: deur, omdat de kleppen van de droge peulen met kracht openspringen. De eerste uitleg wordt thans wel algemeen als de juiste aanvaard.
De soortnaam tuberosus beduidt: met knollen, hetgeen slaat op de knolvormige verdikkingen aan de wortelstok. De naam Aardaker attendeert hierop eveneens, want de naam valt in twee delen uiteen, namelijk in aarde of aard, en aker, een gewestelijke naam voor eikel. Hier dus een aanduiding van de eikelvormige knolletjes aan de wortelstok. Dit aker heeft niets te maken met een ouderwets putemmertje, aker geheten. Deze naam is afgeleid van het Latijnse woord voor waterval of aquarium.
Vroeger kwam dit onkruid, waarschijnlijk uit West-Azië met de graanbouw naar het noorden meegebracht, veelvuldig op kleiakkers en korenvelden voor. Door betere selectie van het zaaigoed is de plant thans bijna uitsluitend te vinden langs de grote rivieren. Dit lastige onkruid, elke knol of ‘eikel’ kon weer tot een zelfstandige plant uitgroeien, was bij de landelijke bevolking vroeger zeer wel bekend. Hetgeen we uit de vele dialectische en gewestelijke vormen kunnen opmaken. Hieronder volgen enkele namen, zonder nadere plaatsaanduiding: Aardakel, Aardeikel, Aker, Eerdakers, Eerdekkel, Eikelen en Ierdaker. Bij andere volksnamen treedt in plaats van eikel het woord noot naar voren, omdat de knolletjes eveneens een nootachtige smaak hebben. Dergelijke namen zijn Aardneute (op vele plaatsen), Aardnoot, Areneute, Akkerneut, Akkernoot en Noten zonder meer. In plaats van aker sprak men vaak van akker, hetgeen terug te voeren is op het niet juist verstaan van aker. Ook wist men in de regel de betekenis van aker niet meer. Het was toch een plant die op de akkers voorkwam!
Bij Fuchs troffen we de naam Eerdamandelen aan, maar dit is een vertaling van Erdmandel, die we in zijn oorspronkelijke Duitse uitgave van zijn Neu Kreuterbuch aantreffen.
Een karakteristieke naam is Muizen-met-staarten in de Betuwe, Ermuzen in Zeeuws-Vlaanderen en Aardmuis en Aardmuisjes elders. Voor de verklaring laten we Dodonaeus (1608) aan het woord: ‘Dit gewas is hier te lande Eert eeckelen gheheeten, ende Eerdtnoten, somtijts oock Muysen met steerten, om dat de bruyne oft swarte cnobbelachtige ronde lanckworpige eeckelen oft wortelen met hun aenhangende snoerken oft faselingesken een cleyn Muysken met sijn steertken schijnen te ghelijcken.’ In het buitenland vinden we overeenkomstige namen Dutch mice (Engeland), Erdmäuschen (Duitsland) en in Frankrijk Souris de terre.
Een andere naam die we op onze speurtochten tegenkwamen was seroen, helaas zonder enige nadere plaatsaanduiding. Volgens ons wellicht uit het zuiden van ons land, te weten Noord-Brabant of Zeeuws-Vlaanderen, want dit Seroen moet wel een verbastering zijn van het Franse suron of serron, volksnamen voor de Aardaker. De naam Knollige platerwt is een vertaling van de Duitse volksnaam Knollen-Platterbse, die zowel slaat op de knolvormige verdikkingen als op de platte erwten in de peul.
De knolletjes hebben eertijds in de voedselvoorziening, vooral op het platteland, een rol gespeeld. Aanvankelijk werden zij door de arme bevolking gegeten na in het wild verzameld te zijn, maar later ging men de plant zelfs als voedselgewas kweken. Zo treffen we in een oude verordening van Zutphen het volgende aan: ‘Niemant vermag op eenes anderen mans land aardeykelen te graaven.’ Deze verordening zal wel slaan op de in het wild op de akkers voorkomende Aardakers en niet op de gekweekte. Waarschijnlijk omdat men bij het verzamelen het akkergewas vertrapte. De min of meer vlezige knolletjes werden net als aardappelen gekookt en met boter gegeten. De cultuur van de hazelnootgrote verdikkingen geschiedde vooral op Overflakkee en in de omstreken van Bergen op Zoom. Zij werden ter markt gebracht onder de reeds vermelde naam Muizen-met-steerten, maar ook als Gedroogde muizen. Men maakte de knollen ook klaar als kastanjes, waarop de naam van Zeeuwsche castanien bij Fuchs (1543) wijst.
Hieruit mogen we concluderen dat de Aardakers verbouwd op de Zeeuwse kleigronden een grote bekendheid genoten moeten hebben. Ook in de vruchtbare Betuwe moet de plant wel verbouwd geweest zijn, want daar kende men ook de naam Muizen-met-staarten. Toen de Aardakers nog veel geteeld werden, noemde men de verbouwers van dit gewas notenboeren. Zouden ze vroeger naar Engeland geëxporteerd zijn, getuige de reeds genoemde naam Dutch-mice: Hollandse muis? Later, toen de aardappel meer en meer terrein won en de verbouw van Aardakers niet meer aantrekkelijk was, ging de teelt achteruit en werden ze een soort delicatesse. Dit baseren we op de volgende zinsnede van O. Heldring, die ergens schrijft: ‘Tot moeder eindelijk het gehele gezin nogmaals vergast op een aardakertje en een kopje chocolade.’ Behalve als menselijk voedsel werd de plant ook gebruikt om er varkens en schapen mee te voeren. In de volksgeneeskunst werd de Aardaker zo goed als niet aangewend.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal